ApteronotusBereik van paginaApteronotus leptorhynchus

Apterónotus

= zonder rugvin.

Geslacht van mesalen uit de familie van de ➛Apteronotidae, met ruim 30 soorten.

Zeer langwerpige, hoog afgeplatte vissen met een opvallend lange aarsvin. Een rugvin ontbreekt. De ruglijn is licht gewelfd. De snuit is daarbij meer of minder verlengd. De eindstandige bek is zeer diep ingesneden. De dunne staart is van een minuscuul afgerond staartvinnetje voorzien. Zwakke ➛elektrische organen compenseren hun gebrekkige zicht bij het jagen op prooi en oriëntatie in het algemeen.

Drie kopvormen worden onderscheiden: stomp, als bij A. albifrons; met een sterk verlengde snuit, als bij A. leptorhynchus; en een tussenvorm, te zien bij A. bonapartii. Deze laatste groep verdwijnt mogelijk nog naar een eigen geslacht: evenals de familie is dit geslacht nog polyfyletisch.

Enigszins roofzuchtige vissen die, behalve insectenlarven en kleine kreeftachtigen, ook kleine vissen eten. Gezelschap kan daarom beter bestaan uit dieren van minimaal de halve lengte van een volwassen dier. Vermijd daarbij al te agressieve of drukke soorten. Geef deze nachtelijk levende dieren bij voorkeur gedempt licht. Dit kan met drijfbladeren of grote planten worden geregeld.

Het beste wordt tegen de schemering gevoerd. geef vrij grof voer, levend of in diepvriesvorm.

Van kweken in aquaria is het bij geen van de soorten nog gekomen.

Zelden in de handel aan te treffen dieren.

Moeilijkheid 3 (0-3)

álbifrons

Linnaeus 1766

Wijd verspreid in Zuid-Amerika: in het Amazonegebied van Venezuela en Peru tot de Rio Paraná en Paraguay in het noorden van Argentinië.

Apteronotus albifrons
Apteronotus albifrons. © ➛F. Ingemann Hansen

Lengte tot 50 cm.

Lichaam als aangegeven bij het geslacht. Kopvorm stomp. Borstvinnen vrij klein. Kleur vrijwel geheel mat grijszwart, met een dunne, vuilwitte streep van de bovenlip over de rug, het breedst op het voorhoofd. Aan het einde van de lange aarsvin een helderwitte ring, een tweede net voor de staartvin. Vinnen in de lichaamskleur, min of meer transparant.

Deze meest aangeboden soort vraagt een flink aquarium, en zijn onderling regelmatig agressief. Deze dieren leiden een vrijwel solitair leven in de natuur. Zorg voor voldoende schuilplaatsen voor ieder exemplaar van voldoende grootte. De nogal schuwe vissen hebben een voorkeur voor gedempt licht, liefst met een dichte beplanting. Beperkte stroming.

Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.

Temperatuur: 23 tot 28° C

Kopen: ok.

Moeilijkheid 3 (0-3)

leptorhýnchus

Ellis 1912

Endemisch in de Rio Essequibo in Guyana, waar de dieren 's nachts in kleine groepen naar de zuurstofrijkere oevers zwemmen voor voedsel, om overdag de diepte weer op te zoeken voor schuilplaatsen.

Lengte tot 26,9 cm.

Lichaam volgens de geslachtsbeschrijving, met een driehoekig spitse snuit, bij de bekopening afgerond. Staartvin zeer klein. Kleur geheel licht goudbruin, met een lichtgele rugstreep van de snuit tot de staartvin. Geslachtsonderscheid gering en vrijwel onopmerkelijk: vrouwen zijn iets kleiner. Andere morfologische kenmerken zijn nauwelijks waar te nemen.

De kweek is in een testopstelling gelukt. Eieren werden afgezet in rotsspleten en kwamen na ongeveer drie dagen uit. Na nog een ruime week zwommen de jongen zelfstandig. In aquaria is dit echter nog niet voorgekomen.

Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.

Temperatuur: 24 tot 28° C

Margevuller