Zeer uitgebreid geslacht van moerasplanten met ruim 500 soorten uit de familie van de ➛Eriocaulaceae.
Grasachtige, eenzaadlobbige, veelal eenjarige planten uit de orde van de ➛Poales, die hoofdzakelijk in tropische gebieden voorkomen, met name zuidelijk Azië en de beide Amerika's. In Europa komt slechts de E. aquaticum voor. Te vinden nabij of in zowel stilstaand als niet al te snel stromend water.

De planten leven in moerasachtige omgeving, vaak deels onder water. Het betreft meestal overblijvende windbestuivers, al komen ook eenjarige soorten voor. Ook enkele echte waterplanten.
De planten groeien in een dicht rozet van meestal opgerolde, lintvormige bladeren, als een groen egeltje. Ook kan dit egeltje de top van een stevige, dicht bebladerde steel vormen. Andere soorten vormen ➛submers vlakke, spitse bladeren. Na verloop komen er wat langere rechtop staande bloeistengels, ook onder water, met een zeer compacte bloemknop. Onder water openen deze niet. De bloeistengels geven de planten een wat onaards aanzien. Het best is deze bloeistengels te verwijderen, deze kosten de planten veel energie.
Deze planten worden als moeilijk ervaren, en stellen dan ook hun eisen. Neem een niet te ondiepe bodem, deze planten wortelen sterk. In de regel is zacht en zuur water met een lage carbonaathardheid noodzakelijk. Vragen veel licht, CO₂ en bodemvoeding.
Moederplanten maken meer of minder vaak een ➛adventiefplant aan, met soms clustervorming tot gevolg, die na enige tijd van de moederplant kan worden verwijderd. Een snellere vermeerdering bij trage soorten is echter mogelijk door een plant in twee te delen. Beide helften zullen vervolgens op het breukvlak adventiefplanten aanmaken. Deze zullen, zonder verder ingrijpen, een compacte cluster vormen. In tegenstelling tot natuurlijke clustervorming is het beter deze jonge planten van de moederplant te scheiden en meer ruimte te geven.
Van de honderden soorten zijn slecht enkele geschikt voor aquariumgebruik.

Inheems van India tot in zuidelijk China, Korea, Japan, de Filipijnen, Sumatra, Java en de noordwestelijke helft van Australië. Elders geïntroduceerd, zoals zuidelijk Europa, Zuid-Amerika en Afrika.
Groeiwijze als vermeld bij het geslacht. Hardgroene plant met een witgeel gekleurd centrum.
Hoogte tot 10 cm, breedte tot 20 cm.
Verzorging en vermeerdering als vermeld bij het geslacht. Eén van de makkelijker te houden soorten.
Geschikt voor aquaria vanaf 10 liter.
Temperatuur: 20 tot 28° C
pH: 5-7 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200 KH: 0-7