Schaatsenrijders
Familie van op het wateroppervlak levende waterwantsen of ➛Nepomorpha.
Slanke insecten met een roestbruine rug en zilverwitte onderzijde, die met lange, wijd gespreide achterste twee potenparen op het water staan. Dat ook de voorste poten op het water staan valt bijna niet op. Het wateroppervlak vertoont kuiltjes waar de poten het water raken. De behaarde pootuiteinden maken het deze insecten mogelijk op de oppervlaktespanning te blijven staan.

Het middelste paar wordt gebruikt voor de voortstuwing, die uit een roeibeweging bestaat. Dit stelt ze in staat om snel naar op het water gevallen prooien te zwemmen en deze te verschalken. Deze worden met de voorste poten vastgehouden en met de steeksnuit leeggezogen.
Voor vissen vormen de schaatsenrijders geen gevaar, voor garnalen mogelijk wel. Garnalen plukken soms van een aanwezige ➛kaamlaag, waardoor de schaatsenrijder mogelijk een poging doet de garnaal te verschalken. Anderzijds kunnen schaatsenrijders voor wat grotere oppervlaktevissen een geschikt voer vormen. Met name ➛halfsnavelbekken weten wel raad met deze insecten.
In Nederland komen negen soorten voor, verdeeld over de geslachten Aquarius, Gerris en Limnoporus.