LepthoplosternumBereik van paginaLepthoplosternum pectorale

Lepthoplostérnum

= slanke Hoplosternum.

Klein geslacht van meervallen met 6 soorten uit de familie van de ➛Callichthyidae.

Op ➛Callichthys gelijkende meervallen uit Zuid-Amerika, met een volledig pantser van ➛beenplaten.

Deze dieren komen voor ten zuiden van de Amazone rivier en in de bovenloop daarvan in Peru.

Langgerekte, slanke meervallen met vrij sterk samengedrukte zijden. Rug- en buik lijn lopen achterwaarts maar weinig naar elkaar toe. Naar voren, vanaf de voorkant van de rugvin, lopen beide na een vrij scherpe knik naar elkaar toe, eindigend in de brede, eindstandige bek. Deze heeft een wrattige bovenlip; de onderlip draagt twee brede, korte baard'draden', rond tot driehoekig van vorm. Vier lange, meer gebruikelijke ➛baarddraden bevinden zich op de mondhoeken. De ogen staan midden op de brede kop. Alle zijden van het lichaam zijn met beenplaten bezet. Een vetvin ontbreekt niet. Mannen zijn groter en tevens herkenbaar aan de steviger voorste borstvinstralen.

Sterke en vreedzame bodemvissen die eenvoudig zijn te houden als enkel exemplaar of in een groepje. Zorg voor afgerond, fijn grind en de nodige schuilgelegenheid. Stroming bij voorkeur niet te sterk. Enigszins gedempt licht heeft de voorkeur.

Deze alleseters zijn weinig kieskeurig zijn met het voedselaanbod en eten alle levend, diepvries en droogvoer, zowel dierlijke als plantaardige oorsprong.

Kweken is niet bijzonder moeilijk en komt zelfs in gezelschapsaquaria voor. Voor een hogere opbrengst is echter een kweekbak aan te raden. Het betreft ➛schuimnestbouwers die hun nest nabij het wateroppervlak maken tussen, bijvoorbeeld, de wortels van drijfplanten. Hiertoe wordt lucht ingenomen via de bek en onder water weer uitgestoten, onderwijl met de borstvinnen de bellen kleiner slaand. Een geïnteresseerde vrouw inspecteert het nest en zet, indien daarmee tevreden, tot meerdere honderden eieren af. Dit gebeurt in vele herhaalde sessies nabij het wateroppervlak aan drijfplanten of ander voorwerpen aldaar.

Moeilijkheid 1 (0-3)

altamazónicum

Reis 1997

Bewoont de bovenloop van de Amazone rivier in Peru het aangrenzende deel van Brazilië, zoals de Rio Solimôes, Japurá en Ucayali.

Vorm als beschreven bij het geslacht. Kleur vrij donker roodbruin. Nek en voorhoofd lichter en geliger van kleur. De keel is wit met donkerbruine vlekjes. Op de rest van het lichaam zijn deze enkel zichtbaar rond de middellijn. Ook de staart is op de vinstralen gevlekt.

Lengte tot 5 cm.

Verzorging, gedrag en kweek als vermeld bij het geslacht.

Geschikt voor aquaria vanaf 70 liter.

Temperatuur: 23 tot 27° C

pH: 6-8   dH: 4-18   fH: 7-32   ppm: 70-300

Kopen: ok.

Moeilijkheid 1 (0-3)

pectorale

Boulenger 1895

Afkomstig uit de Rio Paraguay in centraal Zuid-Amerika.

Lepthoplosternum pectorale
Lepthoplosternum pectorale. © ➛F. Dagosta

Lichaam als vermeld bij het geslacht. Kleur geel- tot roodachtig bleekbruin, met een onregelmatig patroon van kleine ronde donkerbruine vlekjes. De grootste concentratie daarvan bevindt zich aan weerszijden van de middellijn. Dit patroon loopt tot op de vinnen door. De bij mannen verdikte voorste borstvinstralen zijn oranje gekleurd. De naam heeft betrekking op de brede borstplaten. Deze zijn groter dan die van Megalechis thoracata, die voorheen een soortgenoot was.

Lengte tot 8,5 cm.

Verzorging, gedrag en kweek als beschreven bij het geslacht. Deze soort kan bij kamertemperatuur worden gehouden. De vis staat bekend als eter van ➛platwormen. Tijdens de kweek worden tot 200 eieren afgezet.

Geschikt voor aquaria vanaf 70 liter.

Temperatuur: 20 tot 23° C

pH: 6-7   dH: 8-30   fH: 14-53   ppm: 130-500

Margevuller