Klein geslacht van karpers met 5 soorten uit de familie van de ➛Danionidae.
Roofzuchtige scholenvissen uit Zuidoost-Azië. Uitgesproken oppervlaktevissen die jagen op kleinere vis en insecten. Vorm en tekening doen enigszins aan ➛Devario denken.
Het lichaam van deze snelle zwemmers is zeer langwerpig en gestroomlijnd, de rug veel minder gewelfd dan de buiklijn. De diep ingesneden bek is hooguit licht bovenstandig. Rug-, aars- en buikvinnen staan ver achterwaarts, wat bijdraagt aan het snoekige uiterlijk. Twee paar baarddraden, één op de bovenlip, de ander op de mondhoeken. De eerste worden gedurende het zwemmen naar voren gestoken.
Levendige vissen die veel zwemruimte vragen. Aquariumdiepte is minder van belang dan oppervlaktegrootte. Verlangt veel licht en is wat warmtebehoeftig. Al te kleine vis wordt voor voedsel aangezien. Wat gevoelige soort, zorg voor goede waterkwaliteit. Als voedsel kunnen insecten als krekels dienen, grotere larven, regenwormen, diepvriesvoer, grover droogvoer.
Geen van deze zelden verhandelde dieren is nagekweekt.

Wijd verspreid in Zuidoost-Azië, in de stroomgebieden van de Mekong, Mae Klong en Chao Phraya in Thailand, Laos, Cambodja en Vietnam; op het Maleisisch schiereiland. Verder op Sumatra, Java en Borneo. Mogelijk ook in oostelijk Myanmar. Te vinden in vrij rustig stromend laaglandrivieren met een bladbodem. 
Lichaam als aangegeven bij het geslacht. Buikvinnen met (tot sterk) verlengde voorste vinstralen, borstvinnen groot en puntig. Kleur zilverwit tot geelbruin, neigend naar brons op de rug. Over de lengte een zwarte streep van de onderkaak over het oog tot het eind van de bovenste staartvinlob, aan de bovenkant een dunne goudbruine tot de staartvin. Onderste staartvinlob een 'losse' streep. Vinnen transparant. Vrouwen met een rondere buikstreek.
Lengte tot 22 cm.
Verzorging en gedrag als vermeld bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.
Temperatuur: 22 tot 26° C
pH: 6-8 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200
Kopen: ok.

Endemisch op de zuidelijke helft van Sumatra en West- en Zuid-Kalimantan, Indonesië. Bewoners van snel stromend water met een stenige bodem. Jonge dieren worden in rustiger water aangetroffen.
Kleur geelbruin, rug en hoge buikstreek bronskleurig. Typerend aan deze soort is het donkerblauwe blokpatroon over de goudgele lengtestreep. Deze loopt van de kieuwdeksel tot de staartvin. De staartvin zelf draagt drie min of meer parallelle donkere strepen, met een blauwwitte zoom aan weerszijden. Geslachtsonderscheid onbekend.
Lengte tot 25 cm.
Verzorging en gedrag als beschreven bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.
Temperatuur: 23 tot 28° C
pH: 6-7 dH: 4-12 fH: 7-21 ppm: 70-200
Mogelijk heeft deze soort nimmer de aquariumhandel bereikt en was steeds sprake van andere soorten onder deze naam.
Kopen: ok.