Geslacht van karperzalmen uit de familie van de ➛Serrasalmidae. Het bevat ten minste 10 soorten soorten.
Zuid-Amerikaanse vissen met een ruit- tot schijfvormig, voornamelijk zilverkleurig lichaam. De buiklijn is ronder dan de wat hoekige ruglijn. De kop is relatief klein, de bek is voorzien van scherpe snijtanden met een punt in het midden.
Over het algemeen grote vissen, die veel ruimte vragen om er een school van in ieder geval vijf exemplaren van te kunnen houden. Goed samen te houden met andere soorten, zolang deze niet in de categorie 'eetbaar' vallen oftewel te klein zijn. Deze vissen kunnen een nerveuze indruk maken. Dit is te verbeteren met schuilgelegenheid tussen planten of stukken hout. Planten zijn wel een ding, aangezien veel soorten eveneens tot de eetbare inrichting vallen, iets wat enkel met simpelweg uitproberen valt te achterhalen. In de natuur leven de dieren in dichtbegroeid water met weinig stroming. Ook landplanten met overhangend blad worden gegeten.
Alhoewel ➛plantaardig voedsel de voornaamste vorm van voeding is, gaat het toch niet om pure ➛herbivoren en is een aandeel ➛dierlijk voer ook van belang, denk aan wormen, krekels en diepvriesvis.
Nakweek is in aquaria nog niet gelukt.

Weinig is nog bekend over deze soort, die in ieder geval in de Amazone en de Orinoco voorkomt.
Vorm volgens de geslachtsomschrijving. Jonge dieren groenachtig geel glanzend lichaam met midden op de flank kleine zwarte vlekjes. Basis van rug- en aarsvin zwart gelijnd. Oudere dieren verliezen de groene kleur, maar kleuren op de onderste helft grotendeels oranjerood, evenals de onderkaak. Vinnen kleurloos, alleen met een rood gekleurde voorste deel van de aarsvin.
Lengte tot 25 cm.
Verxorging en gedrag vermoedelijk als de overige soorten. Nog niet nagekweekt.
Geschikt voor aquaria vanaf 500 liter.
Temperatuur: 22 tot 28° C
pH: 6-7 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200