RhynchosporaBereik van paginaRiccia fluitans

Rhynchospora

= met snavelvormige zaden.

Snavelbies

Zeer omvangrijk geslacht van moerasplanten met ruim 300 soorten uit de familie van de ➛Cyperaceae.

Kosmopolitisch voorkomende cypergrassen. Ook in Nederland en België komen enkele soorten voor, zoals de witte en bruine snavelbies. Stengels vormende planten met een ondergronds ➛rizoom, waaruit dicht opeen staande ➛uitlopers groeien.

Voor aquariumgebruik komt slechts één soort in aanmerking.

Moeilijkheid 2 (0-3)

albéscens

Kükenthal 1951

Inheems in het noorden van Zuid-Amerika, van Suriname tot in Colombia, noordwestwaarts tot in Costa Rica, Midden-Amerika. Altijd in drassig gebied dat geregeld onder water staat.

Rhynchospora albescens
Rhynchospora albescens. © ➛M. Iannella

Groeit als beschreven bij het geslacht. Lichtgroen, wat doorschijnend blad, dat onder veel ➛licht roodbruin kleurt. Bladeren lang, lintvormig en spits, neerwaarts omkrullend aan een lange opgaande steel.

Lengte tot 60 cm.

Een snelle groeier, geschikt voor een bodem van vuil zand. Voorwaarde is wel dat voldoende licht, vloeibare ➛plantenvoeding en ➛CO₂ aanwezig zijn. Bij lichtgebrek vallen de onderste bladeren af. Veel licht is aan te bevelen.

Eenvoudig te vermeerderen door te stekken.

Geschikt voor aquaria vanaf 40 liter.

Temperatuur: 25 tot 35° C

pH: 4-6   dH: 0-8   fH: 0-14   ppm: 0-130

In de handel niet verkrijgbaar, waarschijnlijk ook niet in een tuincentrum. Mogelijk via internet.

Ríccia

= naar de Italiaanse botanicus Ricci.

Omvangrijk geslacht van mossen met ruim 100 soorten uit de familie van de ➛Ricciaceae.

Levermossen uit de familie van de Ricciaceae. Voornamelijk landmossen, enkele soorten tolereren permanent verblijf onder water.

Het uiterlijk wordt bepaald door de telkens in tweeën splitsende, lintvormige thalli, die in breedte variëren tussen een halve en vier mm. Hierdoor ontstaan vorkachtige strukturen die de soorten hun naam geven. De struktuur ligt of in het platte vlak, of vormt dichte vogelnestachtige kussens, waarbij de afsplitsende vorken door elkaar groeien. De linten vertonen een patroon van luchtgaatjes, die putjes in het oppervlak vormen.

Over het algemeen weinig eisende mossen die echter goed gedijen op extra CO₂ en veel licht. De planten zijn erg populair als afzetsubstraat in kweekbakken. Ze kunnen zowel drijvend onder het wateroppervlak worden gebruikt als gebonden aan een stuk hout of steen. Ook hecht het zich aan de bodem als het daar enige weken is verankerd. Aan hout en steen hecht het niet; daartoe ontbreken rizoïden. Vermeerderen is uiterst eenvoudig; ieder afgebroken stukje kan weer tot een volledig kussen uitgroeien.

Moeilijkheid 1 (0-3)

flúitans

Linneaus 1753

Watervorkje, gevorkt levermos

Inheems op het noordelijk halfrond en zuidelijk Azië, in allerlei vochtig veengebied.

Uiterlijk en verzorging als beschreven bij het geslacht. ➛Thalli onder water smaller dan boven water. De kleur kan variëren van donker- tot frisgroen, afhankelijk van de hoeveelheid licht.

Riccia fluitans
Het watervorkje

Hoogte tot 40 mm, breedte tot 1 mm.

Geschikt voor aquaria vanaf 10 liter.

Temperatuur: 15 tot 25° C

pH: 6-8   dH: 0-18   fH: 0-32   ppm: 0-300

Sinds 2000 is een dwergversie in de handel, met thalli van een halve mm breed en tot 5 mm lang. Deze worden sporadisch aangeboden en zijn 'in vitro' gekweekt.

Margevuller