Diepte waarop een waterdier leeft. Drie lagen worden in het water onderscheiden: oppervlakte, bodem (➛bentische zone) en de laag daartussen (open water of ➛pelagische zone), die in de regel de middenzone wordt genoemd.
De waterlaag vormt een wezenlijk onderdeel van de ➛habitat van een waterdier. Voor dieren die sterk daaraan zijn verbonden, is zwemmen in een andere laag een duidelijk teken van onbehagen.
➛Vissen hebben in de regel een aan hun waterlaag aangepast lichaam, zoals de vrijwel rechte buiklijn van bodemvissen, die hooguit bij kop of staart wat oploopt. De ogen van dergelijke vissen bevinden zich in de regel hoog op de kop. Vissen die nabij het oppervlak leven hebben daarentegen een rechte rúglijn. De borstvinnen hebben vaak een vleugelvorm, die het vanuit stilstand uit het water springen vergemakkelijkt, bijvoorbeeld om een prooi te pakken of een predator te ontlopen.