Geslacht van mossen met meer dan 15 soorten uit de familie van de ➛Amblystegiaceae.
Mossen van gemiddelde grootte met dennentakachtige groei, min of meer regelmatig geveerd. Groen tot geelgroen, soms bruinig. Bladeren smal tot breed driehoekig, soms ovaal; recht of gebogen (sikkelvorm), vlak, vrijwel altijd gekarteld en met een opvallend dikke nerf in het midden (naam).
Verspreiding ➛kosmopolitisch, maar ontbreken in Australië. Te vinden op licht tot sterk kalkhoudende bodem, minimaal periodiek nat.
Eén soort is bruikbaar voor het aquarium, maar is in de handel waarschijnlijk niet te vinden.

Gewoon diknerfmos

Vorm als bij het geslacht weergegeven. Opvallend stijve planten met driehoekige vertakkingen (Am.: triangle moss), lichtgroen tot geelgroen.
Hoogte tot 10 cm, breedte tot 3 mm.
Weinig eisend mos dat goed permanent onder water is te houden. Verdraagt schaduw tot vrij sterke verlichting. Voeding en CO₂ verbeteren de groei.
Vermeerderen kan eenvoudig: ieder stukje groeit weer uit tot een volle plant.
Geschikt voor aquaria vanaf 10 liter.
Temperatuur: 10 tot 28° C
pH: 6-8 dH: 4-30 fH: 7-53 ppm: 70-500
Groot geslacht van karperzalmen met meer dan 80 soorten uit de familie van de ➛Stevardiidae.
Voornamelijk afkomstig uit Zuid-Amerika, met C. affinis als enige uitzondering. Veelal bewoners van ondiep, vrij snel stromend en zuurstofrijk water in de bovenloop van rivieren met een stenige bodem. Ruim de helft daarvan is pas sinds 2000 aan het geslacht toegevoegd.
Langwerpige scholenvissen met een slanke staartwortel, een vrij hoog lichaam en een stompe snuit. Lichaam op de zijden weinig samengedrukt. Rugvin kort en driehoekig, op het hoogste punt geplaatst. Aarsvin lang, achterwaarts smaller wordend. Staartvin gevorkt. Vinnen in de regel vrijwel geheel kleurloos. Vetvin klein. Vrouwen ronder gebouwd, vaak groter. Mannen kleurrijker. Soorten lijken sterk op elkaar.
Ondanks de verontrustende naam toch vreedzame vissen. Mogelijk is deze afgeleid van de lange voortanden. Weinig eisende, maar levendige vissen die zich ook in andersoortig gezelschap laten houden. Echter weinig opvallend gekleurd en wat groter dan andere karperzalmen, daarom vermoedelijk minder populair. Houdt ze liefst met 8 of meer in een school. Een inrichting met veel plantendekking, maar ook voldoende zwemruimte is aan te raden. Stroming vormt geen probleem. Voornamelijk nabij het wateroppervlak levende dieren, die zich hoofdzakelijk voeden met insecten die daarop zijn beland. Muggenlarven en kleine kreeftachtigen worden echter ook gegeten. diepvries- en droogvoer vormen geen probleem.
De kweek en de opfok zijn niet bijzonder moeilijk. Meerdere tientallen kleverige eieren worden aan plantenbladeren afgezet. Verdere broedzorg ontbreekt. De eieren komen na 2 à 3 dagen uit. Jongen kunnen met microwormen worden gevoerd: deze zoeken hun eten voornamelijk bij de bodem.
Zelden in de handel aangeboden dieren.

Te vinden vanaf Lago Bayano in Panama, Centraal Amerika, langs de Pacifische kust tot de San Juan rivier in Colombia. Buiten dat ook in de Rio Magdalena, die uitmondt in de Atlantische Oceaan.
Lichaam als vermeld bij het geslacht. De bovenkaak steekt vrij ver over de onderkaak. Kleur grotendeels zilverwit, met een gelige rug. Over de lengte een donkere streep, vanaf het oog tot in de staart. Daarboven een smallere goudgele. Achter de kieuwdeksel is een kleine schoudervlek aanwezig. Vinnen aan buikzijde met een licht paars- tot blauwwitte voorste vinstraal. Oog aan bovenzijde rood. De in de soortnaam genoemde verwantschap betreft C. muelleri.
Lengte tot 8 cm.
Verzorging, gedrag en kweek als vermeld bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.
Temperatuur: 20 tot 28° C
pH: 6-7 dH: 8-18 fH: 14-32 ppm: 130-300
Kopen: ok.