Geslacht van meervallen uit de familie van de ➛Sisoridae, met ruim 10 soorten.
Kleine meervallen uit zuidelijk Azië, van het noorden van India (Ganges, Brahmaputra) tot in Thailand (Salween rivier).
Alhoewel de vergelijking met Zuid-Amerikaanse meervallen snel is gemaakt, wijken deze meervallen op enkele kenmerken daarvan af. Zo is de kop van een benige helm voorzien, maar verdere bepantsering ontbreekt. De stevige borstvinstralen zijn van enkele of dubbele stekels voorzien. De bij veel meervallen voorkomende zuignapvormige bek ontbreekt, de bek is bijna eindstandig en slechts licht onderstandig. Handhaven in sterke stroming doen ze met hun tot een zuignap vergroeide paar buikvinnen. De staartvin is in de regel diep ingesneden, met afgeronde lobben.
Verder kent de lichaamsvorm veel typische kenmerken van andere meervallen. Een brede, van bovenaf afgeplatte kop, met een naar de staart toe zeer slank toelopend langwerpig lichaam; vier paar ➛baarddraden, waarvan vier op de kin, twee op de mondhoeken en twee op de bovenlip. Voor de rugvin bevindt zich een korte stekel.
Vreedzame groepsdieren die merendeels in koelere bergbeken met grindbodems voorkomen. Ondanks dat goed te houden in ➛gezelschapsaquaria. Wel zijn deze dieren gevoelig voor al te hoge temperaturen. Houd ze met vijf of meer exemplaren. Zorg voor voldoende schuilgelegenheid voor elk individueel dier.
Enkele soorten zijn nagekweekt, maar tot een beschrijving daarvan is het nog niet gekomen.
Vele soorten zijn lang bekend geweest onder het, na veel discussie, opgeheven geslacht Hara.

Inheems in Nepal, oostelijk India en Bangladesh.
Lengte tot 12 cm.
Vorm als beschreven bij het geslacht. De staart is niet liervormig,maar vrij diep ingesneden, met afgeronde lobben. Beigebruin gekleurd, met een patroon van fijne, donkerbruine vlekjes, met op de flanken grote gemarmerde vlekken in diezelfde kleur. Vinnen transparant met marmervlekken. Rugvin geheel donkerbruin. Geslachtsonderscheid onbekend.
Verzorging en gedrag als bij het geslacht aangegeven. Van kweken is het nog niet gekomen.
Geschikt voor aquaria vanaf 200 liter.
Temperatuur: 15 tot 28° C
Kopen: ok.

Afkomstig uit de stroomgebieden van de Ganges en de Brahmaputra in India en Bangladesh. Te vinden in langzaam stromend water met een modderige bodem. De temperatuur van het water kent sterke schommelingen.
Lengte tot 30 mm.
Vorm als beschreven bij het geslacht. Staartvin afgerond driehoekig. Van andere soorten te herkennen aan de opvallend grote en lange borstvinnen, die tot voorbij de rugvin komen. Rugzijde lichtbruin, op de kop donkerbruin bepoederd, op de flanken donkerbruine, verticale zigzagvlekken. Deze tekening loopt door op de verder transparante vinnen. Baarddraden geringd. Buikzijde rozig wit. Geslachtsonderscheid moeilijk te zien; mannen zijn iets breder van bouw.
Weinig actieve en vreedzame, enigszins schuwe, dieren die zich nauwelijks laten zien indien gecombineerd met drukke of agressieve soorten, vooral andere bodembewoners. Garnalen vormen geen probleem. Zorg voor helder, zuurstofrijk water, en houdt nitraatwaarden laag. Deze nachtdieren schuilen graag tussen lage beplanting, en eten pas nadat het licht uitgaat. Matige stroming is voldoende.
Geschikt voor aquaria vanaf 20 liter.
Temperatuur: 18 tot 24° C
Er zijn kweekresultaten, maar geen daarvan is gedocumenteerd.
Kopen: ok.