Geslacht van planten uit de familie van de ➛Commelinaceae. Dit geslacht bevat ten minste 20 soorten.
Stevige, bloeiende planten met een opgaande of kruipende stengel, waaraan kruisgewijze, breed lancetvormige, zittende en omgebogen bladeren. Bladranden vaak omhoog staand, gaaf en soms golvend. Deze beginnen als een korte huls om de steel, vanaf de bladeren er onder. Verspreiding wereldwijd, uitsluitend in de tropen. Slechts één soort is geschikt voor het aquarium.


Hoogte tot 50 cm, breedte tot 16 cm.
Groeiwijze als vermeld bij het geslacht. Heldergroene planten met glanzende bladeren, voorzien van golvende randen. Groeit onder water altijd opgericht vanuit een rizoom.
Vrij lastige planten die veel ➛licht vragen met aanvullend ➛CO₂-bemesting en een stevige voedingsbodem. Bij lichtgebrek vallen de onderste bladeren af, iets dat ook gebeurt als de planten te dicht opeen worden gepoot, of in een bosje bij elkaar.
Geschikt voor aquaria vanaf 70 liter.
Temperatuur: 20 tot 28° C
Te vermeerderen door zijstengels af te nemen.
Wordt, vanwege de sterke overeenkomst, vaak verward met de verwante ➛Murdannia keisak.