Op ➛diffusie berustende manier van ➛ademhalen bij veel in water levende ➛geleedpotigen.

Veel waterinsecten, zoals waterkevers en wantsen, maar ook de ➛waterspin, dragen om een deel van het lichaam een luchtlaag, die geregeld wordt bijgevuld aan het wateroppervlak. Behalve op die manier bijvullen vindt door diffusie ook gasuitwisseling plaats, doordat de ➛zuurstof in de bel door de drager wordt verbruikt. Door de onderdruk verplaatst zuurstof in het omringende water zich in de luchtbel. De uitgeademde CO₂ verhóógt de druk juist, waardoor dat gas vanuit de bel het water in diffundeert. Aldus krijgt de bel de eigenschappen van een ademhalingsorgaan, waardoor minder vaak een tochtje naar het oppervlak nodig is.
G