laciniataBereik van paginaLacustricola katangae

laciniáta

= ingesneden.

Hýptis

lacórtei

= naar Amerikaans liefhebber LaCorte.

Maratecóara

Nematóbrycon

Lacustrícola

= meerbewoner.

Geslacht van tandkarpers met ruim 20 soorten uit de familie van de ➛Procatopodidae.

Uit Aplocheilichthys voortgekomen geslacht van niet-annuele eierleggende tandkarpers, afkomstig uit centraal, oostelijk en zuidelijk Afrika.

Vissen met een slank en langwerpig, wat ruitvormig lichaam, met meestal een hoge staartwortel. De spitse kop met de ronde buik geven de vissen een robuust voorkomen. De bek is bovenstandig. De ongepaarde vinnen staan ver naar achteren, maar toch betreft het over het algemeen dieren uit de middelste en onderste waterlaag. Deze vinnen zijn bovendien afgerond, de staart soms driehoekig, grotendeels of geheel kleurloos.

Sterke vissen met een vrij eenvoudige verzorging. Ook met het minimum van acht dieren nog te houden in vrij kleine aquaria. Een dichte beplanting geeft de dieren dekking en maakt ze minder schuw.

Weinig kieskeurig met voedsel, zowel ➛levend, ➛diepvries- als ➛droogvoer worden gegeten, hoofdzakelijk van ➛dierlijke aard.

Ook de kweek is betrekkelijk eenvoudig. Eenmaal op gang gekomen worden dagelijks eieren, met maximaal drie tegelijk, tussen planten afgezet. Een ➛kweekmop is praktisch om de eieren om de paar dagen te verwijderen: het zijn ➛eierrovers. De opfok kan met fijn ➛jongbroedvoer.

De taxonomie rond deze dieren geeft een rommelig beeld van vele herplaatsingen. Vele soorten zijn als Aplocheilichthys begonnen en via de geslachten Haplochilus, Haplochilichthys en Micropanchax in het huidige geslacht terecht gekomen.

Moeilijkheid 1 (0-3)

bukobánus

Ahl 1924

Komt voor in ondiep water en moerassen rond het Victoria- en daarom liggende meren, in Kenya, Tanzania en Uganda.

Lacustricola bukobanus
Lacustricola bukobanus. © ➛M. Grimm

Lichaam als aangegeven bij het geslacht. Bovengemiddeld robuuste vissen. Kleur bij mannen variabel; van blauwig tot groenig zilverwit, nek en voorhoofd oranjegeel tot bronsgroen. Soms is het gehele lichaam hiermee bedekt. Schubben met een onscherpe grijze rand, met een nettekening tot gevolg. Ongepaarde vinnen geheel donkergrijs, bronsgroen tot roodachtig, of enkel met een donkergrijze of -rode zoom afgezet. Aarsvin soms gelig. Vrouwen lichtgrijs tot grijsbruin.

Lengte tot 5 cm.

Verzorging, gedrag en kweek zoals beschreven bij het geslacht.

Geschikt voor aquaria vanaf 40 liter.

Temperatuur: 22 tot 25° C

pH: 6-8   dH: 0-12   fH: 0-21   ppm: 0-200

Kopen: ok.

Moeilijkheid 1 (0-3)

katángae

Boulenger 1912

Algemeen te vinden in kleine rivieren en moerassen in zuidelijk Afrika, met als noordelijkste gebied het zuiden van de Democratische Republiek Congo.

Lacustricola katangae
Lacustricola katangae. © ➛G. Walsh

Robuust ogende soort met een overwegend geelbruine gekleurde rug. Vaak daarover een lichtblauwe weerschijn. Over de lengte een smalle zwarte, zigzaggende lengtestreep, maar soms een dergelijke kortere, brede streep lager op de achterste lichaamshelft. Buikzijde rozig zilverwit. Ongepaarde vinnen soms wat blauwig, anders staartvin gelig. Vrouwen lichter gekleurd en ronder van vorm.

Lengte tot 5 cm.

Verzorging, gedrag en kweek als aangegeven bij het geslacht. Voorkeur voor de bovenste waterlaag. Incubatie van de eieren ongeveer 3 weken. Jongen groeien vrij langzaam.

Geschikt voor aquaria vanaf 40 liter.

Temperatuur: 20 tot 28° C

pH: 6-8   dH: 12-30   fH: 21-53   ppm: 200-500

Margevuller