Geslacht van karperachtigen uit de familie van de ➛Leuciscidae. Het bevat ten minste 15 soorten.
Grote vissen uit gematigde gebied op het noordelijk halfrond. Lichaam slank en gestroomlijnd, met een wat meer gewelfde rug dan buik. Zijdelings matig samengedrukt. De kop is afgrond spits met een eindstandige bek. Vinnen zijn vrij klein en driehoekig, de staartvin is afgerond en ondiep V-vormig ingesneden. ➛Schubben zijn doorgaans groot, met een duidelijke, complete zijlijn. Veel soorten zijn zilverkleurig, met een bruinige tot bronskleurige rug. Oudere dieren kunnen ook op de flanken een bronskleur krijgen. Buiten de paaitijd is het geslachtsonderscheid lastig; tijdens de paai vertonen mannen op de snuit witte knobbeltjes.
De niet beschermde soorten worden voor het doorsnee aquarium al gauw te groot, daarom enkel als jong dier te houden. Het zijn alle ➛scholenvissen, reden om ze met minimaal 6 dieren bijeen te houden. Een enkele dier wordt zeer schuw. Afhankelijk van de aquariumgrootte komt een moment dat de dieren terug moeten in de natuur. Alle dieren verlangen zuurstofrijk water dat in de zomer niet te warm mag worden. Eventueel voor ➛koeling en ➛beluchting zorgen.
Alleseters die een groot aandeel ➛plantaardig voer verlangen naast een deel ➛dierlijk.
De kweek is bij geen van de soorten in aquaria gelukt.

Winde, windvoorn
Inheems in de gematigde gebieden in noordelijk Europa en Azië. Door uitzetting en ontsnappingen ook te vinden in Noord-Amerika en Nieuw Zeeland. In België en Nederland vrij zeldzaam, maar nog beschermd.
Lengte tot 80 cm.
De aangegeven lengte is een uitzondering, dieren van 50 cm zijn echter vrij gebruikelijk. Jonge dieren zilverkleurig, oudere dieren kleuren bronsachtig. Ook leveren oudere dieren in op de slanke stroomlijnvorm. De schubben zijn relatief klein, wat de vissen een glad uiterlijk geeft. De vinnen aan de buikzijde zijn roodachtig. De oranjekleurige goudwinde Leuciscus idus var. auratus is een populaire vijvervis. Ook is er een blauwachtige variant.
Sterke vissen die graag in de ➛stroming staan. Los van hun beschermde status worden de dieren voor het aquarium uiteindelijk te groot, voor de vijver zouden ze meer geschikt zijn. Zorg voor voldoende zwemruimte met plaatselijk wat dekking van planten. Het voordeel van goudwindes vergeleken met goudvissen is hun voorkeur om dicht onder het oppervlak te verblijven.
Geschikt voor aquaria vanaf 500 liter.
Temperatuur: 10 tot 24° C
Niet in aquaria of vijver te kweken. In de natuur maken de dieren tussen maart en mei trektochten stroomopwaarts tussen overwinteringsgebied en paaigronden, soms ruim 100 kilometer. Deze zeer productieve vissen kunnen daarbij tot 100.000 eieren afzetten.
Voorheen bekend als L. melanotus.
Kopen: ok.

Serpeling
Inheems in Midden- en Noord-Europa tot in de Ob rivier in Midden-Rusland. Ontbreekt in Spanje en Portugal. In zowel stilstaand als, zoals in Nederland, stromend water, bij voorkeur boven een stenige bodem. Dat laatste is grotendeels verdwenen, waardoor de paaigronden schaars zijn geworden. In Nederland en België zeldzaam en kwetsbaar.
Lengte tot 30 cm.
Vorm als bij het geslacht vermeld, maar slanker en kleiner dan andere ➛voorns. Bek net onder de snuit geplaatst, wat bij oudere dieren beter is te zien. Geheel zilverkleurig, vinnen kleurloos. Ouder dieren worden, op de buik na, geheel bronsgroen, ook rug- en staartvin.
De serpeling is een beschermde soort en daarom niet in aquaria te houden. Deze vis houdt zich vrijwel uitsluitend nabij de bodem op.
Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.
Temperatuur: 10 tot 24° C
Nog niet in aquaria nagekweekt. Tijdens de paai worden in het voorjaar, bij ongeveer 10°, tot 25.000 eieren afgezet.
Voorheen bekend onder vele namen, in onder meer de geslachten Cyprinus en ➛Squalius. Wetgeving vereist het terugzetten van gevangen dieren als deze kleiner zijn dan 15 cm. Vangen tussen 1 april en 31 mei, de paaitijd, is verboden.