Monotypisch geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae, met één uit Midden-Amerika afkomstige soort.

Te vinden in Nicaragua en Cost Rica, in het Cocibolca-, Masaya- Managua- en Xiloameer, en in rivieren aan de Atlantische kust.
Lengte ♀ tot 9 cm, ♂ tot 12 cm.
Lichaam langwerpig en in de hoogte afgeplat. Bij volwassen dieren ontwikkelt zich een subtiele voorhoofdbult. Rugvin lang, zoals bij cichliden gebruikelijk. De staartvin heeft een ronde waaiervorm. De aarsvin is een flink stuk korter dan de rugvin. Buikvinnen met sterk verlengde voorste vinstralen. Mannen zijn groter en hebben puntige uiteinden aan rug- en aarsvin.
Gedurende de paai ondergaan de dieren een spectaculaire kleurwisseling: het gehele lichaam kleurt blauwig donkergrijs, de zwarte dwarsband daarentegen wordt grijswit. Vinnen in de lichaamskleur, waarbij de verlengde buikvinstraal wit kleurt.
Sterke en redelijk vreedzame, maar wel territoriale dieren, te houden als stel. Kan naar andere dieren soms toch agressief zijn, kies medebewoners daarom met zorg. Tijdens de paai neemt de agressie toe vanwege de verdediging van het territorium. Omnivore vissen, met een voorkeur voor ➛plantaardig voedsel. ➛Dierlijk voedsel wordt zowel, als levend, diepvries- of als droogvoer gegeten.
Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.
Temperatuur: 22 tot 30° C
De kweek levert weinig problemen op. Neem wel een ruime kweekbak. Tot 60 eieren worden afgezet, die na 5 of 6 dagen uitkomen. Na nog eens een week zwemmen de jongen vrij en kunnen met Artemia of ➛jongbroedvoer van ongeveer die grootte worden gevoerd.
Een zo goed als bedreigde soort. Koop bij voorkeur nakweek. Er gaan meerdere verhalen rond dat deze vissen andere vissen van parasieten ontdoen, zoals bekend van poetsvissen in zee.