Gering geslacht van karpers uit de familie van de ➛Cyprinidae. Dit geslacht bevat 7 soorten.
Kleine karpers afkomstig uit India en Zuid-Oost Azië. De dieren zijn algemeen te vinden in allerlei soorten oppervlaktewater Dit vrij recent ontdekte geslacht kent nog enkele onduidelijke soorten die in de komende tijd waarschijnlijk op naam zullen worden gebracht.
Scholenvissen met een opvallend hoge, wat puntige rug, waarop zich de, vaak zeer hoge, rugvin bevindt. Ook de buikvinnen kunnen relatief groot zijn. De buiklijn is vrij vlak. De snuit is meestal vrij spits, met een kleine, licht bovenstandige bek. Schubben half zwart, soms ook de randen, waardoor een duidelijke nettekening ontstaat.
Zoals de meeste karpers zijn ook deze gemakkelijk te houden, zij het enigszins schuw. Medebewoners kunnen dan ook beter met zorg worden gekozen; niet te groot of te druk. Zorg voor zeker acht dieren of meer om deze schuwheid wat te overwinnen.
Om dezelfde reden is een gedempte belichting, bijvoorbeeld door het gebruik van ➛drijfplanten of -bladeren aan te raden. Een donkere bodembedekking versterkt dat effect, evenals een goede afwisseling van dicht plantengroei en zwemruimte.
De kweek is over het algemeen eenvoudig en verloopt als bij andere soorten uit de familie.

Te vinden in een groot gebied rond de Ganges en de Brahmaputra rivier in India en omringende landen.
Lengte ♀ tot 40 mm, ♂ tot 43 mm.
Lichamelijke kenmerken als beschreven bij het geslacht, wat meer gestrekt. Grondkleur zilverwit, met goudgele accenten rond de kieuwen. Vinnen transparant, borstvinnen geel. In de rugvin een zwarte druppelvlek, soms ook een zwart accent in de aarsvin. Mannen wat groter en kleurrijker, een grotere rugvin.
Verzorging, gedrag en kweek als vermeld bij de familie.
Geschikt voor aquaria vanaf 70 liter.
Temperatuur: 24 tot 28° C
In de handel is een aantal soorten verkrijgbaar als O. cosuatis, welke feitelijk nog onbekend zijn.
Kopen: ok.

Inheems in noordoostelijk India, in de Brahmaputra rivier en toevoeren daarop.
Lengte ♀ tot 35 mm, ♂ tot 45 mm.
Uiterlijk als bij het geslacht vermeld. Op de rozig grijsbruine grondkleur de bij het geslacht beschreven nettekening. Achter de kieuwdeksel een brede gele dwarsband die bij de vrouwen ontbreekt. Op de staartwortel een zwarte vlek. De rugvin is zeer hoog en breed, geel met een zwart vlekjespatroon, met de bedoeling er mee te kunnen pronken. Vrouwen missen deze opzichtige kenmerken. Laag in rang staande mannen lijken vaak op vrouwen, maar ontwikkelen de genoemde kenmerken alsnog in enkele maanden als de dominante mannen worden verwijderd.
Verzorging en gedrag als bij de familie beschreven.
Geschikt voor aquaria vanaf 70 liter.
Temperatuur: 23 tot 28° C
Kweekt vergelijkbaar als andere karpers, waarbij eieren tegen de onderkant van een groot blad worden afgezet. Is dit eenmaal begonnen, dan worden geregeld eieren afgezet.
Kopen: ok.
Geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. Dit geslacht bevat ten minste 15 soorten.
Grote cichliden uit Afrika en het Midden-Oosten die uiteindelijk een flink aquarium vragen. Slechts enkele soorten zijn op langere termijn geschikt voor een huiskameraquarium. In openbare aquaria zijn deze soorten beter af.
Vissen met een ovaal tot vrij langwerpig lichaam, in het eerste geval in de hoogte sterk samengedrukt. Zoals bij cichliden gebruikelijk is de rugvin lang en verdeeld in harde en weke vinstralen, evenals de kortere aarsvin. De staartvin is rond waaiervormig. De bek is eindstandig en vrij diep ingesneden. Op het voorhoofd ontwikkeld zich bij meerdere soorten een subtiele bult.
Vrij roofzuchtige, maar verder toch rustige dieren, die, behalve kreeftachtigen en larven, ook kleinere vissen eten. Medebewoners zijn daarom bij voorkeur minstens hun halve lengte, tenzij bedoeld als voer. De inrichting komt niet erg kritisch, wel zijn schuilplaatsen met steen en hout aan te raden. Houdt daarbij wel voldoende zwemruimte vrij. Planten worden in de regel opgegeten.
Weinig eisende alleseters die een gelijke mix van ➛dierlijk en ➛plantaardig voer eten, zowel levend als diepvries- en droogvoer.
Kweken is zelden een probleem, het betreft muilbroeders. Soms is een passend ➛kweekkoppel nodig. De man graaft een kuil en lokt vrouwen om daarin eieren af te zetten. Na de paai neemt de moeder de volledige broedzorg op zich, de man speelt daarin verder geen rol. Het muilbroeden duurt enkele weken, waarna met Artemia of ➛jongbroedvoer van een vergelijkbare grootte kan worden gevoerd. Jongen keren nog geregeld terug in moeders bek.
Deze vissen zijn in oudere literatuur terug te vinden onder het geslacht Tilapia.

Oorspronkelijk verspreid over zuidoostelijk Afrika, van Zuid-Afrika tot in Malawi. Inmiddels in vrijwel het gehele tropisch gebied een meer of minder invasieve exoot.
Lengte tot 39 cm.
Vorm als beschreven bij het geslacht, een langwerpig gevormde soort. Beide geslachten groenig grijs van kleur, mannen met rijen blauwige stippen. Zes tot acht onscherpe donkere dwarsbanden. Vinnen rood getint. Vrouwen eenvoudiger groenachtig van kleur. Mannen tevens met een vollere bovenlip en een stekeliger rugvin. Deze, en de aarsvin hebben uitgerekte, puntige uiteinden. Tijdens de paai kleurt de man diepzwart met een groenig witte keel. In de handel zijn vele kleurvarianten verkrijgbaar, sommige daarvan zijn het resultaat van kruisingen met andere soorten binnen het geslacht.
Verzorging en kweek als bij de geslachtsbeschrijving. Volwassen dieren vragen veel ruimte. Kweekt eenvoudig; jongen verlaten na ongeveer twee weken de bek. Ze groeien zeer snel.
Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.
Temperatuur: 20 tot 27° C
In het oorspronkelijke gebied een kwetsbare soort.