Geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. Het bevat ruim 15 soorten.
Grote cichliden uit Afrika en het Midden-Oosten die uiteindelijk een flink aquarium vragen. Slechts enkele soorten zijn op langere termijn geschikt voor een huiskameraquarium. In openbare aquaria zijn deze soorten beter af.
Vissen met een ovaal tot vrij langwerpig lichaam, in het eerste geval in de hoogte sterk samengedrukt. Zoals bij cichliden gebruikelijk is de rugvin lang en verdeeld in harde en weke vinstralen, evenals de kortere aarsvin. De staartvin is rond waaiervormig. De bek is eindstandig en vrij diep ingesneden. Op het voorhoofd ontwikkeld zich bij meerdere soorten een subtiele bult.
Vrij roofzuchtige, maar verder toch rustige dieren, die, behalve kreeftachtigen en larven, ook kleinere vissen eten. Medebewoners zijn daarom bij voorkeur minstens hun halve lengte, tenzij bedoeld als voer. De inrichting komt niet erg kritisch, wel zijn schuilplaatsen met steen en hout aan te raden. Houdt daarbij wel voldoende zwemruimte vrij. Planten worden in de regel opgegeten.
Weinig eisende alleseters die een gelijke mix van ➛dierlijk en ➛plantaardig voer eten, zowel levend als diepvries- en droogvoer.
Kweken is zelden een probleem, het betreft muilbroeders. Soms is een passend ➛kweekkoppel nodig. De man graaft een kuil en lokt vrouwen om daarin eieren af te zetten. Na de paai neemt de moeder de volledige broedzorg op zich, de man speelt daarin verder geen rol. Het muilbroeden duurt enkele weken, waarna met Artemia of ➛jongbroedvoer van een vergelijkbare grootte kan worden gevoerd. Jongen keren nog geregeld terug in moeders bek.
Deze vissen zijn in oudere literatuur terug te vinden onder het geslacht Tilapia.

Oorspronkelijk verspreid over zuidoostelijk Afrika, van Zuid-Afrika tot in Malawi. Inmiddels in vrijwel het gehele tropisch gebied een meer of minder invasieve exoot.
Lengte tot 39 cm.
Vorm als beschreven bij het geslacht, een langwerpig gevormde soort. Beide geslachten groenig grijs van kleur, mannen met rijen blauwige stippen. Zes tot acht onscherpe donkere dwarsbanden. Vinnen rood getint. Vrouwen eenvoudiger groenachtig van kleur. Mannen tevens met een vollere bovenlip en een stekeliger rugvin. Deze, en de aarsvin hebben uitgerekte, puntige uiteinden. Tijdens de paai kleurt de man diepzwart met een groenig witte keel. In de handel zijn vele kleurvarianten verkrijgbaar, sommige daarvan zijn het resultaat van kruisingen met andere soorten binnen het geslacht.
Verzorging en kweek als bij de geslachtsbeschrijving. Volwassen dieren vragen veel ruimte. Kweekt eenvoudig; jongen verlaten na ongeveer twee weken de bek. Ze groeien zeer snel.
Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.
Temperatuur: 20 tot 27° C
In het oorspronkelijke gebied een kwetsbare soort.

Endemisch in het ➛Tanganyikameer, nabij riviermondingen en langs de kustlijn.
Lengte ♀ tot 35 cm, ♂ tot 42 cm.
Vorm als beschreven bij het geslacht, met een langwerpig ovaal lichaam. Kleur blauwig grijs op een bruingrijze ondergrond. Rugvin met een oranjegele rand. Aars- en buikvinnen met blauwe randen. Mannen met rijen blauwe vlekjes, op het voorhoofd en de nek versmolten; vrouwen met witgouden vlekjes. Ook de weke delen van de ongepaarde vinnen vertonen vlekjes. Mannen tevens met een rode staart en grotere ongepaarde vinnen.
Verzorging, gedrag en kweek als aangegeven bij het geslacht. Voornamelijk een planteneter. Warmtebehoeftig. Houdt deze soort met meerdere vrouwen bij één man. Nog niet in aquaria nagekweekt, maar dit verloopt naar verwachting als bij de overige soorten.
Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.
Temperatuur: 24 tot 28° C
Kopen: ok.