Geslacht van karpers uit de familie van de ➛Cyprinidae. Dit geslacht bevat ruim 30 soorten.
Zuid-Aziatische barbelen uit de onderfamilie van de Smiliogastrinae, welke voorheen onder het geslacht ➛Puntius vielen. Kenmerkend zijn de zeer kleine of geheel ontbrekende ➛baarddraden. Lichaam robuust en spoelvormig, met een wat hogere rug, de rugvin op het hoogste punt. Kleine kop met eveneens kleine, eindstandige bek. Vinnen afgerond, staart gevorkt.
Energieke maar vreedzame vissen, geschikt voor het ➛gezelschapsaquarium. Liever niet combineren met al te schuwe dieren. Deze scholenvissen kunnen het beste worden gehouden in een groep van minimaal 8 dieren, liefst evenveel mannen als vrouwen. De mannen tonen hun kleuren het best als er naar de vrouwen gepronkt kan worden en er onderlinge rivaliteit heerst. Ook verdwijnt schichtigheid met meer dieren. Een combinatie van zwemruimte en dichte beplanting om te schuilen is wenselijk. Zorg ook voor enige ➛stroming. Het voedsel kan bestaan uit ➛kleine kreeftachtigen en muggenlarven, maar ook wat plantaardig voer, alle ook in ➛diepvriesvorm. Ook ➛droogvoer is zelden een probleem.
De meeste soorten laten zich goed kweken en ook in het gezelschapsaquarium kunnen er zomaar een paar jongen rondzwemmen. De kweek verloopt als beschreven bij de familie. Breng één of meer kweekstellen, dat wil zeggen met drachtige vrouwen, in de kweekbak.

Enkel bekend uit meren nabij de monding van de Ganges, in de provincie Parganas onder Calcutta in Bengalen, noordoost India.
Lengte ♀ tot 20 mm, ♂ tot 25 mm.
Uiterlijk als beschreven bij geslacht en familie. Grondkleur transparant gelig beige, voorste deel van rug-, staart- en buikvinnen enigszins geel transparant. Aars- en rugvin met een zwarte vlek aan de basis, rugvin tevens met een zwarte voorste vinstraal. De buikvinnen ontberen een zwarte vlek, zoals bij de vrijwel identieke P. canius.. Onder de rugvinbasis en op de staartwortel een hoge dwarse zwarte vlek. Vrouwen zijn forser, vaak wat groter en minder intens van kleur. Wordt ook geregeld verward met P. gelius, maar is daarvan eenvoudig te onderscheiden door de vrijwel transparante vinnen aan buikzijde
Verzorging, gedrag en kweek verlopen als bij geslacht en familie aangegeven.
Geschikt voor aquaria vanaf 40 liter.
Temperatuur: 18 tot 24° C
Niet bekend bij de IUCN.

Endemisch op Sri Lanka in een kleine rivier in de buurt van de plaats Galapitamada.
Lengte tot 40 mm.
Vorm als bij het geslacht aangegeven, betrekkelijk hoog van vorm. Grondkleur licht oranjegeel, met een bruinige rug. Achter de kieuwdeksel en ter hoogte van de aarsvin een diepzwarte dwarsband, de laatste is op de aarsvin zelf nog zichtbaar. Daartussen, op en onder de rugvin, een derde, veel vagere band, en een vierde, eveneens vaag, boven het oog. Een smalle, onopvallende rand is te zien bij de staartaanzet. Op de buikvinnen weer een diepzwarte vlek. De bovenlip is oranjerood. Mannen zijn kleurrijker, vrouwen steviger gebouwd.
Verzorging en gedrag als vermeld bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 20 tot 26° C
Geen kweekverslag bekend.
Een ernstig bedreigde soort. In de handel is voornamelijk nakweek te koop.
Kopen: ok.