Monotypisch geslacht van baarsachtigen uit de familie van de ➛Ambassidae. De enige soort is Pseudambassis lala, na voorheen in het geslacht Chanda, Ambassis en Parambassis te zijn ondergebracht. Dit is één van de oudst bekende aquariumvissen.

Inheems van Pakistan tot in Myanmar, in allerlei langzaam stromend water als sloten, meren en ondergelopen gebied.
Vorm als bij de overige leden van de familie; hoog, wat hoekig ovaalrond lichaam, zijdelings sterk samengedrukt. Kop spits, oudere dieren met een inwendig geknikt voorhoofd. Een dubbele rugvin, duidelijk gescheiden, de voorste met harde stralen, steil rechtop, de achterste met een gladde rand, afgerond. De wat grotere aarsvin is min of meer het spiegelbeeld daarvan. Staartvin diep gevorkt en afgerond.
Kleur goudgelig doorschijnend met grillige, zeer dunne zwarte verticale lijnen van rug tot buik, mannen met dunne lichtblauwe zomen langs rug- en aarsvin. In de broedtijd kleuren de mannen met rode staartvinranden boven en onder, en de vier, doorgaans nauwelijks waarneembare, brede, donkere dwarsbanden worden zichtbaar. De voorste loopt over het oog, de achterste begint tussen beide rugvinnen. De gele kleur wordt tevens sterker.
Lengte tot 40 mm.
Vreedzame scholenvis die met te druk gezelschap schuw blijft. Gevoelig voor oud water, plaats ze bij voorkeur ook niet in een te recent ingericht aquarium. Een dichte beplanting donkere bodem en niet te fel licht helpt om de dieren meer op hun gemak te doen voelen. Zowel levend, diepvries- als droogvoer worden gegeten. In weerwil van veel berichten betreft het hier een echte zoetwatervis.
Kweken is goed mogelijk. Voer de temperatuur op naar het aangegeven maximum. Eieren worden met ongeveer vijf tegelijk tussen planten of drijfplanten afgezet nabij het wateroppervlak, tot in totaal ongeveer honderd. Na een dag komen deze uit. De jongen zijn klein, en verbruiken hun dooierzak de er op volgende drie dagen. Daarna kunnen ze met ➛jongbroedvoer van het fijnste soort worden gevoerd.
Geschikt voor aquaria vanaf 60 liter.
Temperatuur: 20 tot 28° C
pH: 6-8 dH: 4-18 fH: 7-32 ppm: 70-300
De status in de natuur is zorgwekkend, koop daarom bij voorkeur geen wildvang.
Klein geslacht van cichliden met 3 soorten uit de familie van de ➛Cichlidae.
Kleine Afrikaanse muilbroeders met een wijde verspreiding. Vooral in vrijwel stilstaand water in de nabijheid van boomwortels of onder ➛drijfplanten of overhangende begroeiing.
Lichaam langwerpig ovaal met een grote en vrij spitse kop en een redelijk diep ingesneden eindstandige bek. De rugvin is lang en verdeeld in een hard- en weekstralig deel, evenals de veel kortere aarsvin.
Buiten de paartijd vreedzame dieren, anders erg territoriaal en graaflustig, planten worden uitgegraven. Fijn, afgerond grind is dan aan te raden, evenals het plaatsen van planten in potjes, vastgezet met stenen. Mannen onderling kunnen erg agressief zijn. Tijdens de paartijd worden met name dieren uit de onderste waterlaag verjaagd, dieren uit andere waterlagen lopen veel minder risico.
Weinig kieskeurig met voedsel, zowel ➛levend, ➛diepvries- als ➛droogvoer van ➛dierlijke aard worden gegeten.
Eenvoudig te kweken vissen, waarvoor echter wel een passend ➛kweekkoppel nodig is. Ook meerdere vrouwen bij een man zetten is mogelijk, zorg dan voor een schuilplaats voor elk daarvan. Voor de paring worden kuilen gegraven door draaiende bewegingen. In één ervan worden de eieren afgezet en bevrucht. De eieren worden in de regel door de vrouw in de bek genomen, in een zeldzaam geval door de man. Het aantal eieren hangt af van de ervaring en voeding van de ouderdieren. Verwijder de man na de afzet, deze blijft de vrouw najagen. De eieren komen na ongeveer 10 dagen uit, de bek an dan niet meer geheel dicht. De jongen zoeken nog geregeld de bak op voor veiligheid of voor de nacht. Voer de jongen met Artemia of vergelijkbaar ➛jongbroedvoer. Ze groeien snel.
De naam verwijst naar het lipvissengeslacht Symphodus, destijds Crenilabrus genaamd. Zelden aangeboden vissen, alhoewel P. multicolor in het verleden erg populair is geweest.

Wijd verspreid in Oost-Afrika van Egypte tot in Tanzania.
Vorm als aangegeven bij het geslacht. Kleur geelbruin, schubben met lichtere, soms blauw glanzende randen. Lippen metaalblauw. Vinnen met onregelmatige blauwe lijnen, staartvin met blauwe vlekken. Ongepaarde vinnen met helderrode randen. Vrouwen grijzer van kleur en zonder rood.
Lengte ♀ tot 7 cm, ♂ tot 8 cm.
Verzorging, gedrag en kweek als bij het geslacht aangegeven. Zeer geschikt voor beginnende cichlidenliefhebbers. Niet bijzonder warmtebehoeftig, voor de kweek de temperatuur wel richting het maximum opvoeren. Kweekt erg makkelijk, waarbij tot 100 eieren worden afgezet.
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 20 tot 26° C
pH: 6-8 dH: 4-18 fH: 7-32 ppm: 70-300
In oudere literatuur te vinden onder de geslachten ➛Haplochromis, Hemihaplochromis en Paratilapia. Deze oudgediende is de eerste in het aquarium nagekweekte vissoort.
Kopen: ok.