Monotypisch geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. De enige soort is de weinig bekende Reganochromis calliurus.

Endemisch in het gehele ➛Tanganyikameer in Centraal-Afrika, tot zo'n 60 meter diepte in de overgangszone tussen rotsen en open zand- of modderbodem.
Lichaam langwerpig en gestroomlijnd, met een lange rugvin. Deze is, evenals de vrij korte aarsvin, verdeeld in een hard- en een weekstralig deel. Borst- en buikvinnen staan onder elkaar. Typische bodemdieren met de ogen hoog in de vrij spitse kop, met een laag geplaatste, diep ingesneden bek. De kleur is een zilverglanzend bruin- tot blauwgrijs. Daarop zijn subtiele lengtebanden te onderscheiden. Het geslachtsonderscheid is onbekend.
Lengte tot 15 cm.
De wat imposante verschijning van deze vis blijkt toch een vrij vreedzame natuur te herbergen. Zelfs zodanig, dat robuuste medebewoners tot schuwheid kunnen leiden. Beter is het dergelijke combinaties daarom te mijden. Zorg voor voldoende schuilplaatsen op de overigens ruime zandbodem.
In de natuur leven de dieren op een dieet van vrijwel uitsluitend garnalen. Desondanks weinig kieskeurig met eten en te voeren met allerlei ➛dierlijk voer, ook ➛droogvoer. Staat, ondanks de groot uitgevallen bek, niet bekend als rover van vissen.
Lastig te kweken. Een goed kweekkoppel is noodzakelijk, meer daarover onder ➛paarvorming. Het betreft muilbroeders waarbij beide ouders deze taak afwisselen, of, bij een groot nest, de eieren verdelen. Daartoe worden deze in eerste instantie in een hol afgezet. Na ongeveer drie weken zwemmen de jongen vrij en zijn met microwormen te voeren, of ➛jongbroedvoer van vergelijkbare grootte.
Geschikt voor aquaria vanaf 200 liter.
Temperatuur: 23 tot 27° C
pH: 7-9 dH: 8-30 fH: 14-53 ppm: 130-500
Een weinig aangeboden soort. De grote diepte bemoeilijkt het vangen.
Kopen: ok.