Monotypisch geslacht van argusvissen uit de familie van de ➛Scatophagidae. De enige soort is de zeer zelden aangeboden S. multifasciata.


Lengte tot 40 cm.
Hoog gevormde vissen, zijdelings sterk afgevlakt, jonge dieren met een zeshoekig, volwassen dieren meer een vierkantig lichaam. De kleine kop met eindstandige bek wordt daarbij steeds meer een uitsteeksel door de inwaarts knikkende nek en keel. Rug- en buikvin met een hard en stekelig deel en een weekstralig, waarbij de randen van beide laatste een vrijwel verticaal lijn vormen. De staartvin is driehoekig.
Kleur gelig tot groenig zilverwit, met ronde zwartbruine vlekken ruim verdeeld op de flanken, naar de buik toe kleiner, nabij de rug uitlopend als korte, smalle dwarsbanden. Rug met een dunne, zwartbruine rand, evenals de aanzet en de randen van de verder witte, weekstralige, ongepaarde vinnen. Hardstralige rug- en aarsvin zwartbruin, met vinstralen in de lichaamskleur. Rugvinstralen voorzien van gifklieren, enige voorzichtigheid bij het uitvangen is geboden.
Vrij groot wordende dieren, al wordt in de regel slechts de helft van de aangegeven lengte gehaald. Als jonge dieren in vrijwel zoet water te houden, met een zouttoevoeging van 1 g/l; bij het ouder worden het ➛zoutgehalte opvoeren tot volledig zeewater. Het aquarium kan beter niet te klein zijn en voldoende zwemruimte hebben, aangezien het groepsdieren betreft die met minimaal vijf worden gehouden. Decoreren kan met ➛hout en ➛stenen, planten eindigen in de regel als voedsel. Het betreft namelijk veel etende alleseters die een mix van ➛dierlijk en ➛plantaardig voedsel verlangen. Medebewoners met zorg kiezen; de dieren staan als vinnenbijters bekend.
Geschikt voor aquaria vanaf 500 liter.
Temperatuur: 20 tot 28° C
Over de kweek vrijwel geen gegevens; de dieren planten zich in zee voort, waarna de jongen brak water opzoeken, om later naar zee terug te keren.
Kopen: ok.
Klein geslacht van karperzalmachtigen uit de familie van de ➛Prochilodontidae. Dit geslacht bevat 6 soorten.
Grote scholenvissen uit het ➛Amazonegebied in Zuid-Amerika, herkenbaar aan hun overmaatse staart.
Vissen met een ruit- tot ovaalvormig lichaam, in de breedte sterk samengedrukt. De rugvin is in verhouding groter dan die aan de buikzijde, typerend voor de familie, maar vooral de staartvin valt op. Deze is even hoog of hoger dan het lichaam. Bij alle soorten is deze gestreept in de lengte. Het lichaam zelf is zilver glanzend. De kop is spits, met plooibare, getuite lippen zonder tanden, vergelijkbaar met de ➛zoengoerami. Het geslachtsonderscheid is lastig te zien, al wordt beweerd dat vrouwen een wat rondere buik hebben.
De verschillende soorten zijn door lokale kleurvariaties niet eenvoudig uit elkaar te houden. Deze worden in de vakhandel dan ook vaak onder de verkeerde naam aangeboden, voor zover dat laatste al voorkomt.
Voor het houden van een school van ten minste vijf dieren is een flink aquarium nodig: 20 tot 30 cm lengte is geen uitzondering voor deze dieren. Een te kleine groep kan leiden tot onderlinge agressie. Zorg ook voor voldoende zwemruimte en enige beplanting voor dekking. De voornamelijk jong verkochte dieren groeien snel. Ondanks hun onuitputtelijke eetlust is de hoeveelheid ontlasting merkwaardig weinig en vraagt geen intensieve ➛filtering.
In de natuur leven de dieren van ➛algen, ➛aufwuchs, ➛plankton en ➛detritus. Bij gebrek daaraan kan worden gevoerd met allerlei ➛plantaardig voer, aangevuld met een deel ➛dierlijk.
Geen van deze vrijleggers is, voor zover bekend, nagekweekt in aquaria.

Wijd verbreid over de Amazone rivier, evenals de Rio Orinoco en Rio Branco, in het noorden van Bolivia, Ecuador, Colombia, Venezuela, Guyana en Brazilië.
Lengte tot 35 cm.
Uiterlijk als bij het geslacht vermeld. Kleur zilverwit, vinnen gelig wit. Donkere lengtestrepen in rug-, staart- en aarsvin. Staart oven hoog als het lichaam. Bovenkant oog en buikvinnen oranjerood.
Verzorging, gedrag en kweek als aangegeven bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.
Temperatuur: 20 tot 30° C
Kopen: ok.