Geslacht van slakken met ten minste 40 soorten uit de familie van de ➛Neritidae.
Kieuwslakken uit zoet en ➛brak water. Binnen de familie is dit geslacht uitzonderlijk vanwege hun voorkomen in gematigd gebied, waar de andere geslachten enkel in tropisch en subtropisch gebied voorkomen.
Huis hoornvormig, maar slechts weinig uitgetrokken, snel in wijdte toenemend. Lichaam met ovale voet, dit komt maar zeer beperkt onder het huis uit, enkel de tasters. Deze zijn vrij lang en spits. Soorten zijn door de variabele tekening onderling moeilijk te onderscheiden.
Niet moeilijk te houden slakken, die echter vooral kiezelwier eet. Zie de beschrijving bij de familie.

Zoetwaterneriet
Te vinden in kalkrijk water in de gematigde gebieden van Europa en West-Azië, zuidwaarts tot in Iran. In Nederland en België vrij algemeen. Ook in Ierland en het Verenigd Koninkrijk inheems. In Afrika te vinden in Marokko en Algerije. Ontbreekt in Noorwegen en Siberië. Deze soort heeft binnen de familie de grootste verspreiding.
Tekening erg variabel, dankzij de wijde verspreiding. Dit heeft tot vele synoniemen geleid, en uiteindelijk tot meerdere erkende ondersoorten. Kleur vrij donker groenig bruin tot bruingelig of ivoorwit, met meestal een variabele donkerbruine zigzagtekening, fijn dan wel grof, of een meer of minder dichte tekening met druppelvormige of ronde openingen. Ook dwarslijnen kunnen voorkomen. Lichaam gelig lichtgrijs, met op de bovenzijde een zwartgrijze lijn- en stiptekening. Gemiddelde grootte 9 mm.
Lengte tot 13 mm.
Verzorging als bij de familie vermeld. Kleurverlies duidt op te zacht water. Deze soort laat zich nakweken en heeft voor het uitkomen van de eieren geen brak water nodig. De witte eipakketten bevatten tot 200 zeer kleine eieren. De eveneens kleine jongen kruipen in eerste instantie de bodem in en komen pas na enkele maanden weer in beeld.
Temperatuur: 10 tot 25° C
pH: 7-9 dH: 12-30 fH: 21-53 ppm: 200-500