➛Vinnen vormen een betrouwbare indicator van de algehele gezondheid van een vis. Los van situatie gebonden gedrag is het knijpen van vinnen in de regel geen goed teken en kan duiden op een onderliggende ➛ziekte. Gezonde vissen spreiden hun vinnen vrijwel continue. Behalve knijpen, vooral met de staart, kunnen ook klapperen met vooral de rugvin, verkleven van vinnen, melkwit vervallende randen - ook weer vooral de staartvin - en aanwezigheid van beslag wijzen op een kwaal. Scheuren in vinnen komen incidenteel voor en herstellen in enkele dagen tot een week weer. Deze ontstaan bij schermutselingen onderling met felle bewegingen, zeker bij cichliden die te intens imponeergedrag ten toon spreiden.
De meeste vinnen hebben soepele vinstralen, week of zacht genoemd. Meestal zijn deze enkelvoudig, soms gevorkt aan het eind. Dit kan ook meervoudig zijn. Harde, stekelachtige vinstralen zijn altijd enkelvoudig.
Zeer kleine ➛organismen, bestaande uit een streng RNA of ➛DNA met een eiwitomhulsel, soms ook met een vetomhulsel. Hun grootte ligt rond de 0,01 micron; virussen zijn ongeveer 100 maal kleiner dan ➛bacteriën en enkel met een elektronenmicroscoop te zien. De oorsprong van virussen berust op giswerk. Mogelijk zijn ze ontstaan uit organische resten.
De vraag of virussen organismen zíjn is vooralsnog onduidelijk, volgens sommigen behoren ze niet tot de levende natuur. Virussen planten zich niet voort, maar dringen passief een gastheer binnen en gebruiken de aanwezige lichaamscellen voor de vermeerdering. Virussen hebben zelf geen stofwisseling.
Dieren, en daarmee vissen en garnalen, beschikken over een ➛immuunsysteem en kunnen de meeste virussen effectief te lijf gaan. Sommige virussen kunnen echter langdurig voor problemen zorgen, zoals bijvoorbeeld ➛Lymphocystis.