Geslacht van karperachtigen uit de familie van de ➛Cyprinidae. Dit geslacht bevat ruim 15 soorten.
Grotere karperachtigen uit noordelijk Laos en Vietnam, zuidoostelijk China en Taiwan. Voorheen vielen vele van deze vissen onder het verzamelgeslacht ➛Barbus.
Lichaam gestrekt, zijdelings maar weinig samengedrukt. De buiklijn is betrekkelijk vlak vergeleken met die van de rug: deze dieren leven voornamelijk nabij de bodem. Kop afgrond spits, met een onderstandige bek. Opvallend is de grote staartvin. De rugvin staat midden op de rug. Mannen krijgen tijdens de paai de voor karpers karakteristieke witte pukkels op de bovenlip.
Deze vissen leven in ondiep, helder en zuurstofrijk, snel stromend water in de midden- en bovenlopen van rivieren. Stroming verdient daarom aanbeveling. De bodem bestaat uit grind en stenen.
Voedsel bestaat uit ➛detritus, ➛algen en de daartussen levende ➛kleine kreeftachtigen, een gemengd dieet. Jonge dieren eten een groter aandeel dierlijk voedsel, ongeveer 30%, dit daalt richting volwassenheid naar zo'n 5%.
Houdt deze vissen bij voorkeur in een kleine groep van minimaal 5 dieren, al kunnen ze ook solitair worden gehouden. Een groep vraagt wel de nodige ruimte. Planten worden, indien te zacht, opgegeten. Soorten als de javavaren, of uit het geslacht Anubias en Bolbitis, worden echter met rust gelaten. Ook in de natuurlijke omgeving komen nauwelijks planten voor.
Kweken is niet moeilijk. Deze productieve vissen vertonen geen broedzorg van enige betekenis. Wel ➛broedvoorzorg, door in de grindbodem ondiepe kuilen te graven, waarin de kleverige eieren worden afgezet. Deze komen binnen maximaal 7 dagen uit. Jongen kunnen worden gevoerd met het fijnste ➛dierlijke en ➛plantaardige ➛jongbroedvoer.

Bewoners van helder stromend water in bergrivieren langs de zuidoostelijke Chinese kust, in de provincies Anhui tot in Guangxi.
Lengte tot 20 cm.
Vorm als omschreven bij het geslacht. Lichaam beigewit met een gele gloed, naar de rug meer goudgeel, grijsgroen of roodbruin. Over de lengte een brede,diep zwarte streep van de kieuwdeksel tot in de staartvin, waarover 6 of 7 minder sterk gekleurde, evenredig verdeelde dwarsstrepen. Deze halen de buiklijn niet, en verdwijnen geleidelijk bij het ouder worden, Bij mannen kleuren de vinnen tijdens de paai rood. Vrouwen zijn nog wat ronder dan normaal.
Verdraagt een breed bereik aan temperaturen. Verzorging en kweek verder als aangegeven bij het geslacht. Tot 3500 eieren worden afgezet, afhankelijk van leeftijd en ervaring van de vrouw.
Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.
Temperatuur: 20 tot 26° C
Kopen: ok.

Inheems in de provincies Fujian en Zhejiang in zuidoostelijk China en in het westen en noordoosten van Taiwan.
Lengte tot 22,5 cm.
Uiterlijk als aangegeven bij het geslacht. Lengte in het aquarium overstijgt zelden de 12 cm. Kleur beigewit met een goudgele tot geelbruine glans, de rug wat donkerder. 5 tot 8 smalle, zwarte dwarsbanden. Vinnen voornamelijk kleurloos transparant met zwarte randen, de rugvin met zwarte strepen langs de stralen. Tijdens de paartijd kleuren bij mannen de vinnen rood.
Verzorging, gedrag en kweek als vermeld bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.
Temperatuur: 15 tot 25° C