labrosusBereik van paginaLacustricola bukobanus

labrósus

= met dikke lippen.

Abactóchromis

Labyrint

In vier van de vijf families uit de orde van de ➛Anabantiformes beschikken vissen over een extra of accessoire ➛ademhaling in de vorm van een labyrint. Dit orgaan bevindt zich in de holling van de kieuwbogen. Het heeft een schelpachtige vorm met daarin op stelen staande, sterk doorbloede platen die de ➛zuurstof uit de erin aanwezige lucht opnemen, vergelijkbaar met een long. Het labyrint wordt gevuld door met de bek atmosferische lucht in te nemen.

Dit hulpmiddel stelt de vissen in staat in zuurstofarm water te overleven. Het labyrint wordt echter altijd gebruikt, ook bij aanwezigheid van voldoende zuurstof: de dieren kunnen niet zonder. Zijn de vissen niet in staat het labyrint te vullen met lucht, dan zal het zich vullen met water waardoor de dieren, vreemd genoeg, verdrinken.

labyrínthicus

= als een labyrint.

Caenótropus

Labyrintvissen

Anabantidae

laciniáta

= ingesneden.

Hýptis

lacórtei

= naar Amerikaans liefhebber LaCorte.

Maratecóara

Nematóbrycon

Lacustrícola

= meerbewoner.

Geslacht van tandkarpers met ten minste 20 soorten uit de familie van de ➛Procatopodidae.

Uit Aplocheilichthys voortgekomen geslacht van niet-annuele eierleggende tandkarpers, afkomstig uit centraal, oostelijk en zuidelijk Afrika.

Vissen met een slank en langwerpig, wat ruitvormig lichaam, met meestal een hoge staartwortel. De spitse kop met de ronde buik geven de vissen een robuust voorkomen. De bek is bovenstandig. De ongepaarde vinnen staan ver naar achteren, maar toch betreft het over het algemeen dieren uit de middelste en onderste waterlaag. Deze vinnen zijn bovendien afgerond, de staart soms driehoekig, grotendeels of geheel kleurloos.

Sterke vissen met een vrij eenvoudige verzorging. Ook met het minimum van acht dieren nog te houden in vrij kleine aquaria. Een dichte beplanting geeft de dieren dekking en maakt ze minder schuw.

Weinig kieskeurig met voedsel, zowel ➛levend, ➛diepvries- als ➛droogvoer worden gegeten, hoofdzakelijk van ➛dierlijke aard.

Ook de kweek is betrekkelijk eenvoudig. Eenmaal op gang gekomen worden dagelijks eieren, met maximaal drie tegelijk, tussen planten afgezet. Een ➛kweekmop is praktisch om de eieren om de paar dagen te verwijderen: het zijn ➛eierrovers. De opfok kan met fijn ➛jongbroedvoer.

De taxonomie rond deze dieren geeft een rommelig beeld van vele herplaatsingen. Vele soorten zijn als Aplocheilichthys begonnen en via de geslachten Haplochilus, Haplochilichthys en Micropanchax in het huidige geslacht terecht gekomen.

Moeilijkheid 1 (0-3)

bukobánus

Ahl 1924

Komt voor in ondiep water en moerassen rond het Victoria- en daarom liggende meren, in Kenya, Tanzania en Uganda.

Lacustricola bukobanus
Lacustricola bukobanus. © ➛M. Grimm

Lichaam als aangegeven bij het geslacht. Bovengemiddeld robuuste vissen. Kleur bij mannen variabel; van blauwig tot groenig zilverwit, nek en voorhoofd oranjegeel tot bronsgroen. Soms is het gehele lichaam hiermee bedekt. Schubben met een onscherpe grijze rand, met een nettekening tot gevolg. Ongepaarde vinnen geheel donkergrijs, bronsgroen tot roodachtig, of enkel met een donkergrijze of -rode zoom afgezet. Aarsvin soms gelig. Vrouwen lichtgrijs tot grijsbruin.

Lengte tot 5 cm.

Verzorging, gedrag en kweek zoals beschreven bij het geslacht.

Geschikt voor aquaria vanaf 40 liter.

Temperatuur: 22 tot 25° C

pH: 6-8   dH: 0-12   fH: 0-21   ppm: 0-200

Kopen: ok.

Margevuller