Klein geslacht van tandkarpers met 6 soorten uit de familie van de ➛Rivulidae.
Kleine ➛seizoenvissen uit Zuid-Amerika. Eén soort komt voor in het ➛Amazonegebied, de overige meer zuidelijk in savannegebied, vanaf de rivieren Tocantins tot de Paraná en de Paranaíba bij Paraguay, waar de vissen leven in tijdelijke poelen, moerassen en lagunes. De naam heeft betrekking op de gelijkenis met een sterrenhemel.
Langwerpige vissen met een min of meer rond lichaam, zijdelings weinig samengedrukt. Kop van boven afgeplat en wat stomp, met een bovenstandige bek. Ruglijn rechter dan buiklijn, met een ver naar achteren staande, puntige rugvin. Andere vinnen afgerond, aarsvin stomp gepunt. Mannen intenser van kleur dan vrouwen, bruin getint met goudkleurige of lichtblauwe vlekken, vrouwen eenvoudiger gekleurd.
Wat schuwe vissen die het beste in een ➛speciaalaquarium tot hun recht komen, eventueel te combineren met andere, rustige dieren. Een dichte plantengroei verhoogt het zelfvertrouwen, evenals een donkere bodem en met, bijvoorbeeld, ➛drijfplanten gedempt licht. Als voedsel kan allerlei klein ➛levend of ➛diepvriesvoer van dierlijke oorsprong worden gegeven.
Gegevens over de kweek is van geen van de soorten bekend, maar verloopt vermoedelijk als bij nauw verwante geslachten uit de familie, zoals ➛Maratecoara, Papiliolebias, ➛Plesiolebias en Stenolebias.

Afkomstig uit de benedenloop van de Rio Paranaíba in Brazilië.
Vorm als bij de geslachtsbeschrijving. Basiskleur beigebruin, met grijzig bruine flanken, waarover regelmatig goudgele schubben liggen verspreid. Ongepaarde vinnen als de flanken gekleurd, met dezelfde vlekken in rug- en aarsvin. Borstvinnen met een doorzichtig stippenpatroon. Onder het oog een zwarte vlek, achter de borstvinnen een verticale, lichtblauwe vlek. Vrouwen zonder grijsbruine flanken, met een, niet aan schubben gebonden, zwart vlekkenpatroon.
Lengte ♀ tot 45 mm, ♂ tot 40 mm.
Verzorging en gedrag als vermeld bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 30 liter.
Temperatuur: 22 tot 27° C
pH: 6-7 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200
Geen IUCN status.
Boogsterrenmos.
Geslacht van ➛mossen met ruim 30 soorten uit de familie van de ➛Mniaceae.
Kleine, als kussens groeiende planten die zich allerlei harde ondergrond hechten. Kenmerkend zijn de tandjes aan de rand van de top helft van het lancetvormige tot ronde blad.
De enige in aquaria goed te houden soort is Plagiomnium affine.

Rond boogsterrenmos
Gematigde gebieden in Europa en Azië, op vrij droge bosgrond. In Nederland en België algemeen.
Vrij grote langwerpige, elkaar deels overlappende bladeren aan elke steel. De kleur is flessengroen. De bladrand is voorzien van regelmatige kleine tandjes. Stengels groeien horizontaal tot licht opgericht, waardoor een zeer dicht tapijt ontstaat.
Hoogte tot 10 cm, breedte tot 8 mm.
Te bevestigen op hard materiaal, waarna het mos zichzelf daaraan hecht. Niet erg makkelijk in de verzorging, groeit zeer traag. Daardoor gevoelig voor veralgen. Groeit ook in weinig licht, maar groeit compacter bij meer, maar pas op voor te veel. Zorg voor helder, voedselarm water, bijvoorbeeld met filtratie. Stelt verder weinig eisen. CO₂-bemesting versnelt de groei, plantenvoeding zorgt voor dichtere groei en een intense groene kleur.
Geschikt voor aquaria vanaf 10 liter.
Temperatuur: 10 tot 30° C
pH: 5-8 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200