Glasmeervallen
Familie van in scholen levende meervallen uit de orde van de ➛Siluriformes, afkomstig uit Afrika en Azië. Alhoewel in uiterlijk vrijwel identiek aan De Siluridae, zijn ze daaraan toch niet verwant. Dit verschijnsel wordt met ➛convergentie aangeduid.
Slanke, zijdelings sterk afgeplatte vissen die op het eerste gezicht niet op meervallen lijken. Toch vertonen ze er enkele typische kenmerken van. Het volledig doorzichtige lichaam mist schubben en wordt enkel beschermd door een stevige ➛mucuslaag. Verder zijn er maximaal vier paar vrij lange tot lange baarddraden aanwezig op de korte, wat bredere kop, en een ➛vetvin met stekel. Ook staat de korte rugvin, indien aanwezig, ver vooraan en de borstvinnen min of meer als kleine vleugels zijwaarts. Verder is de aarsvin zeer lang, de zeer kleine buikvinnen staan er kort voor. De staart is klein en hangt meer of minder neerwaarts. Het zijn alle levendige, ➛rheofiele dieren die in een school voortdurend met het transparante achterlichaam in de ➛stroming in open water slingeren. Er is een groot verschil in grootte binnen de familie.
Vreedzame vissen, waarvan vele prima in een ➛gezelschapsaquarium passen. Een aquarium met glasmeervallen vraagt veel zwemruimte, al worden ook schuilplaatsen in de vorm van stenen, hout of planten gewaardeerd. Zorg voor een goede stroming in het open gedeelte. Houd de ➛verlichting beperkt, of zorg voor drijfplanten en een donkere bodem, de dieren zijn enigszins schuw. Een school van minimaal zes dieren is nodig om de schuwheid te verminderen. Een enkel dier stopt mogelijk zelfs met eten. Uitsluitend dierlijk voedsel als bijvoorbeeld ➛kleine kreeftachtigen en ➛muggenlarven wordt gegeten. Gevoelig voor mindere kwaliteit water, de dieren worden dan schuw en inactief.
Aquariumvissen komen voor in de geslachten Neotropius, ➛Parailia, ➛Pareutropius en Schilbe.