Klein geslacht van geepachtigen met 2 soorten uit de familie van de ➛Belonidae.
Wat grotere en zeer slanke, staafvormige roofvissen uit Azië, met een spitse, pincetvormige bek, voorzien van spitse tandjes. Zie ook de beschrijving bij de familie.
Deze vissen leven direct onder het wateroppervlak. Aquariumdiepte is dan ook minder van belang dan de grootte van het wateroppervlak. 30 cm is echter wel een minimum. Goede springers, dek het aquarium zorgvuldig af. Gevoelig voor afnemende waterkwaliteit; buiten een goede filtering zijn geregelde waterwissels van belang, waarbij zoveel mogelijk afval wordt afgeheveld. In sommige literatuur wordt gemeld dat deze vissen brak water bewonen, maar dat komt sporadisch voor. Zouttoevoeging is niet nodig.
Eters van vissen en insecten. Wildvang dieren zijn mogelijk moeilijk aan dood voedsel te wennen. Als levend voer kunnen ➛regenwormen, ➛krekels, ➛mysis en keverlarven dienen. Als diepvriesvoer zijn garnalen, stukken visfilet en mosselvlees geschikt. Vermijd zoogdier- en vogelvlees, de eiwitten daarin zijn voor vissen problematisch in de vertering. Ook levende vis is minder geschikt dan vaak wordt gedacht: de voedingswaarde is beperkt en er bestaat het risico van overdracht van visziekten.
Kweken is mogelijk, maar nog maar weinig gelukt. De kweek beperkt zich tot de periode mei tot september. Voer de temperatuur op richting het maximum en voeg tijdens een waterwissel koud water toe, dit stimuleert de paai. Eenmaal op gang worden dagelijks eieren afgezet aan lange draden. Deze kunnen worden geoogst en in een kweekbak worden overgebracht. ➛Incubatie bedraagt 7 tot 10 dagen. Binnen enkele uren eten deze al ➛Artemia of vergelijkbaar ➛jongbroedvoer. Houdt het jongbroed gescheiden wat betreft grootte: de kleinsten kunnen aan de grotere jongen ten prooi vallen.

Wijd verspreid van Pakistan tot in Thailand, met Nepal als noordelijke grens. Voornamelijk te vinden in traag stromend of stilstaand water van beken en moerassen, al worden ze in bepaalde perioden ook in snel stromend water gevonden. Op Hawaii een ingeburgerde ➛exoot.
lichaam als vermeld bij het geslacht en de familie. Wat kleuren betreft lijkt de kaaklijn samen met de zijlijn de scheiding tussen de geelbruine rug en de onderste zwarte lichaamshelft te vormen. De buiklijn zelf is zilverwit. De vinnen zijn kleurloos, op de zwarte randen bij mannen na. Paairijpe mannen vertonen een korte welving achter de kop, boven de borstvinnen; de onderkaak kleurt rood, de borst en kieuwdeksels geel.
Lengte tot 35 cm.
Verzorging, gedrag en kweek als aangegeven bij het geslacht.
Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.
Temperatuur: 18 tot 30° C
pH: 6-8 dH: 0-18 fH: 0-32 ppm: 0-300
Voorheen ingedeeld bij het geslacht ➛Esox.
Kopen: ok.
Voormalige onderfamilie van Oost-Aziatische karperachtigen onder de ➛Cyprinidae, nu een zelfstandige familie onder de orde van de ➛Cypriniformes. Meerdere soorten zijn door introducties ook in Europa en Noord-Amerika beland, met de graskarper Ctenopharyngodon idella als bekendste vertegenwoordiger.
Vissen van enkele centimeters tot 2 meter grootte. De verschillen met andere families van karperachtigen berusten op ➛DNA-onderzoek en zijn aan uiterlijke kenmerken niet te zien.
Aquariumvissen binnen deze familie vallen onder de geslachten Megalobrama, ➛Opsariichthys en Zacco.