AcroloxidaeBereik van paginaAcrossocheilus fasciatus

Acrolóxidae

= afgeleid van Acroloxus.

Familie van napslakken met ruim 10 soorten uit de klasse van de ➛Gastropoda.

Alhoewel tot de longslakken gerekend, ontbreekt een long en wordt rechtstreeks door de huid zuurstof opgenomen. De schelp is gewelfd maar niet gewikkeld, en lijkt op een muts. De meeste soorten zijn endemisch binnen een zeer beperkt verspreidingsgebied.

Acroloxidae
De ovale kapslak Acroloxus lacustris. © ➛D.J. Saaltink

In het aquarium kan de weinig beweeglijke ovale kapslak, Acroloxus lacustris, voorkomen. Deze is inheems in heel Europa tot in Siberië, in allerlei soorten water met weinig of geen stroming. Het tot 2 mm hoge en 7 mm lange, ovale huis heeft de top naar linksachter gericht en is gelig grijs tot bruin transparant gekleurd. De slak leeft van ➛algen en vooral ➛diatomeeën, en laat planten met rust. Als alle slakken zijn ook deze ➛hermafrodiet, maar hebben een soortgenoot nodig voor een bevruchting. Eieren worden in pakketjes van 4 tot 12 stuks afgezet en komen na ruim drie weken uit.

Acrossócheilus

= met lippen zonder baarddraden.

Geslacht van karperachtigen uit de familie van de ➛Cyprinidae, met ten minste 15 soorten.

Grotere karperachtigen uit noordelijk Laos en Vietnam, zuidoostelijk China en Taiwan. Voorheen vielen vele van deze vissen onder het verzamelgeslacht ➛Barbus.

Lichaam gestrekt, zijdelings maar weinig samengedrukt. De buiklijn is betrekkelijk vlak vergeleken met die van de rug: deze dieren leven voornamelijk nabij de bodem. Kop afgrond spits, met een onderstandige bek. Opvallend is de grote staartvin. De rugvin staat midden op de rug. Mannen krijgen tijdens de paai de voor karpers karakteristieke witte pukkels op de bovenlip.

Deze vissen leven in ondiep, helder en zuurstofrijk, snel stromend water in de midden- en bovenlopen van rivieren. Stroming verdient daarom aanbeveling. De bodem bestaat uit grind en stenen.

Voedsel bestaat uit ➛detritus, ➛algen en de daartussen levende ➛kleine kreeftachtigen, een gemengd dieet. Jonge dieren eten een groter aandeel dierlijk voedsel, ongeveer 30%, dit daalt richting volwassenheid naar zo'n 5%.

Houdt deze vissen bij voorkeur in een kleine groep van minimaal 5 dieren, al kunnen ze ook solitair worden gehouden. Een groep vraagt wel de nodige ruimte. Planten worden, indien te zacht, opgegeten. Soorten als de javavaren, of uit het geslacht Anubias en Bolbitis, worden echter met rust gelaten. Ook in de natuurlijke omgeving komen nauwelijks planten voor.

Kweken is niet moeilijk. Deze productieve vissen vertonen geen broedzorg van enige betekenis. Wel ➛broedvoorzorg, door in de grindbodem ondiepe kuilen te graven, waarin de kleverige eieren worden afgezet. Deze komen binnen maximaal 7 dagen uit. Jongen kunnen worden gevoerd met het fijnste ➛dierlijke en ➛plantaardige ➛jongbroedvoer.

Moeilijkheid 1 (0-3)

fasciátus

Steindachner 1892

Bewoners van helder stromend water in bergrivieren langs de zuidoostelijke Chinese kust, in de provincies Anhui tot in Guangxi.

Acrossocheilus fasciatus
Acrossocheilus fasciatus. © ➛C.C. Liming

Lengte tot 20 cm.

Vorm als omschreven bij het geslacht. Lichaam beigewit met een gele gloed, naar de rug meer goudgeel, grijsgroen of roodbruin. Over de lengte een brede,diep zwarte streep van de kieuwdeksel tot in de staartvin, waarover 6 of 7 minder sterk gekleurde, evenredig verdeelde dwarsstrepen. Deze halen de buiklijn niet, en verdwijnen geleidelijk bij het ouder worden, Bij mannen kleuren de vinnen tijdens de paai rood. Vrouwen zijn nog wat ronder dan normaal.

Verdraagt een breed bereik aan temperaturen. Verzorging en kweek verder als aangegeven bij het geslacht. Tot 3500 eieren worden afgezet, afhankelijk van leeftijd en ervaring van de vrouw.

Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.

Temperatuur: 20 tot 26° C

Kopen: ok.

Margevuller