NH₄⁺
Stof die in een zurig milieu ontstaat uit ➛ammoniak en ➛H⁺, en vormt, opgelost in water, zelf en zwak zuur. In tegenstelling tot ammoniak is ammonium tot vrij hoge concentraties onschadelijk voor dieren, en voor planten bruikbaar als ➛plantenvoeding. ➛Waterplanten nemen ammonium bij voorkeur via de bladeren op, en liever dan ➛nitriet en ➛nitraat. Voor die laatste is bovendien licht nodig en lijkt meer energie te kosten.
Ammonium is tevens een belangrijke voedingsbron voor ➛algenbloei.
Stam van één- of meercellige ➛organismen uit de groep van de Amorphea, met een sterk plooibare celwand of ectoplasma, die zich door vervorming voortbewegen. Vaak wordt deze groep nog tot de verouderde term ➛Protozoa gerekend.

De grootte van ➛eencellige amoeben varieert van enkele tientallen µm tot bijna een millimeter, meercellige kunnen meerdere vierkante meters groot zijn. Tijdens de voortbeweging stulpt de celwand uit, aldus een schijnvoet of pseudopodium vormend, waarna daarin de celinhoud (het endoplasma) vloeit. De meeste amoeben zijn naakt, andere voorzien van minuscule schubben of ontwikkelen schelpen.
Om voedsel te bemachtigen, plooit de amoebe daar omheen en vormt een inwendige vacuole, waarin dit wordt verteerd. Voedsel bestaat onder meer uit andere eencelligen, ➛algen, ➛bacteriën en ➛detritus.