AponogetonaceaeBereik van paginaApteronotus albifrons

Aponogetonáceae

= afgeleid van Aponogeton.

Familie van waterplanten uit de orde van de ➛Alismatales. Het kent slechts één geslacht, ➛Aponogeton.

Appelslak

➛Pomacea maculata

Appelslakken

➛Ampullariidae

appréssus

= aangedrukt.

➛Syngonánthus

Apteronótidae

= afgeleid van Apteronotus.

Staartvinmesalen

Midden- en Zuid-Amerikaanse mesalen uit de orde van de ➛Gymnotiformes. Het merendeel leeft voornamelijk in diep water, 5 meter of meer, waar licht vrijwel ontbreekt. Om zich toch te kunnen oriënteren, beschikken de dieren over zwakke ➛elektrische zintuigen. Als alle mesalen bewegen de dieren zich voort met een lopende golfbeweging van de lange aarsvin. Hierdoor is zowel voor- als achteruit zwemmen mogelijk.

Langwerpige vissen met een hoog, zijdelings samengedrukt lichaam. De vormenrijkdom binnen deze groep is groot, ook omdat deze nog niet taxonomisch op orde is gebracht: de groep is polyfyletisch, zoals dat heet in ➛DNA-onderzoek.

Behalve dieren met een afgeronde kop zijn ook veel spitsere vormen te onderscheiden, met een tot zeer diep ingesneden, altijd eindstandige, bek. De aarsvin kan zeer lang zijn en tot 80% van de buiklijn beslaan. Een rugvin ontbreekt. Sommige soorten hebben een staartvin, soms als een kleine blaadje aan het eind van het lichaam. Zie ook de ordebeschrijving.

Als er al dieren worden verhandeld, komen deze in de regel uit de geslachten ➛Apteronotus, Compsaraia, Orthosternarchus, Sternarchella en Sternarchorhynchus.

Apterónotus

= zonder rugvin.

Geslacht van mesalen uit de familie van de ➛Apteronotidae, met ten minste 30 soorten.

Zeer langwerpige, hoog afgeplatte vissen met een opvallend lange aarsvin. Een rugvin ontbreekt. De ruglijn is licht gewelfd. De snuit is daarbij meer of minder verlengd. De eindstandige bek is zeer diep ingesneden. De dunne staart is van een minuscuul afgerond staartvinnetje voorzien. Zwakke ➛elektrische organen compenseren hun gebrekkige zicht bij het jagen op prooi en oriëntatie in het algemeen.

Drie kopvormen worden onderscheiden: stomp, als bij A. albifrons; met een sterk verlengde snuit, als bij A. leptorhynchus; en een tussenvorm, te zien bij A. bonapartii. Deze laatste groep verdwijnt mogelijk nog naar een eigen geslacht: evenals de familie is dit geslacht nog polyfyletisch.

Enigszins roofzuchtige vissen die, behalve insectenlarven en kleine kreeftachtigen, ook kleine vissen eten. Gezelschap kan daarom beter bestaan uit dieren van minimaal de halve lengte van een volwassen dier. Vermijd daarbij al te agressieve of drukke soorten. Geef deze nachtelijk levende dieren bij voorkeur gedempt licht. Dit kan met drijfbladeren of grote planten worden geregeld.

Het beste wordt tegen de schemering gevoerd. geef vrij grof voer, levend of in diepvriesvorm.

Van kweken in aquaria is het bij geen van de soorten nog gekomen.

Zelden in de handel aan te treffen dieren.

Moeilijkheid 3 (0-3)

álbifrons

Linnaeus 1766

Wijd verspreid in Zuid-Amerika: in het Amazonegebied van Venezuela en Peru tot de Rio Paraná en Paraguay in het noorden van Argentinië.

Apteronotus albifrons
Apteronotus albifrons. © ➛F. Ingemann Hansen

Lengte tot 50 cm.

Lichaam als aangegeven bij het geslacht. Kopvorm stomp. Borstvinnen vrij klein. Kleur vrijwel geheel mat grijszwart, met een dunne, vuilwitte streep van de bovenlip over de rug, het breedst op het voorhoofd. Aan het einde van de lange aarsvin een helderwitte ring, een tweede net voor de staartvin. Vinnen in de lichaamskleur, min of meer transparant.

Deze meest aangeboden soort vraagt een flink aquarium, en zijn onderling regelmatig agressief. Deze dieren leiden een vrijwel solitair leven in de natuur. Zorg voor voldoende schuilplaatsen voor ieder exemplaar van voldoende grootte. De nogal schuwe vissen hebben een voorkeur voor gedempt licht, liefst met een dichte beplanting. Beperkte stroming.

Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.

Temperatuur: 23 tot 28° C

Kopen: ok.

Margevuller