Monotypisch geslacht van kreeften uit de familie van de ➛Astacidae. Na meerdere herzieningen rest slechts de Europese rivierkreeft A. astacus in dit geslacht.

Europese rivierkreeft
Inheems in vrijwel geheel Europa, de Britse eilanden en het poolgebied uitgezonderd, en westelijk Rusland. Ook in Nederland en België komt de kreeft van nature algemeen voor, maar is door introductie van onder meer de rode rivierkreeft ➛Procambarus clarkii uit Noord-Amerika ten prooi gevallen aan de meegelifte parasiet ➛Aphanomyces astaci, kreeftenpest. Momenteel een kwetsbare soort die ondanks herintroducties in onder meer Nederland, België en Duitsland nog steeds in aantal afneemt.
Vorm als aangegeven bij de infraorde. beige- of grijsbruine tot -blauwe kreeften, vaak met oranjerood tot roestkleurige en bleekwitte delen op poten en abdomen. Dieren kleuren blauwer in zuurder water. Drie ondersoorten, A. a. astacus, A. a. balcanicus, afkomstig van de Balkan en Griekenland en A. a. colchicus uit de Rioni rivier in Georgië. Aangegeven grootte wordt zelden gehaald, dieren blijven gemiddeld 4 cm kleiner.
Lengte ♀ tot 16 cm, ♂ tot 20 cm.
Moeilijk in aquaria te houden, vanwege de noodzaak het water 's winters gedurende meerdere maanden onder de 10° C te houden. De levensduur wordt sterk bekort indien de temperatuur te hoog is: in plaats van tot 20 jaar leven de dieren slechts enkele maanden. In de aangegeven aquariumgrootte is een paar te houden, mits van voldoende schuilplaatsen voorzien: de dieren zijn buiten de paartijd onderling erg onverdraagzaam. Slakken en planten worden gegeten, de dieren zijn ➛omnivoor. Ander voedsel kunnen herfstbladeren zijn, in de handel verkrijgbaar kreeftenvoedsel (➛droogvoer), maar ook ➛diepvriesvoer en gebruikelijk ➛plantaardig voer. In de vijver buiten zijn de dieren gemakkelijker te houden, zolang deze minstens 60 cm diep is en daardoor niet tot de bodem dichtvriest.
Kweken in de vijver is niet moeilijk, de dieren produceren in de herfst tot 200 eieren die gedurende de winter van november tot in mei worden meedragen. Verstoor daarbij de moeder zo min mogelijk. Jonge kreeften hebben veel schuilgelegenheid nodig om kannibalisme te voorkomen. Denk aan schuilplaatsen van verschillende grootte, zoals PVC buizen, bakstenen met holtes etc.
Geschikt voor aquaria vanaf 180 liter.
tot 25° C
pH: 6-8 dH: 8-18 fH: 14-32 ppm: 130-300
Een kwetsbare soort die een enkele keer wordt aangeboden; het betreft dan pestvrije nakweek, speciaal voor de aquarium- en vijverhandel. Voorheen bekend als A. fluviatilis.
Monotypisch geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. Momenteel de enige soort is A. macracanthus, die in kustrivieren en -meren voorkomt aan de Pacifische kant van zuidelijk Mexico tot in Honduras, Midden-Amerika.
Voorheen bekend onder vele geslacht- en soortnamen, onder meer ➛Amphilophus, ➛Astronotus, ➛Cichlasoma (als C. evermanni, guija, heterodontus en meeki) en ➛Heros. Meerdere soorten hebben daarna het geslacht bevolkt, maar zijn vervolgens weer naar andere geslachten verhuisd.

Lichaam sterk in de hoogte afgeplat, kort ovaal. De kop vormt een vierkant uitsteeksel daaruit, met een vrij kleine, eindstandige bek. De staartwortel bestaat uit een korte, smalle balk, met daaraan de rechthoekig waaiervormige staart. De lange rugvin en aarsvin zijn verdeeld in een deel met zeer harde vinstralen, waarnaar mogelijk de naam verwijst, en een kleiner weekstralig deel. Mannen groter en met gepunte rug- en aarsvin.

Kleur dankzij het vrij grote verspreidingsgebied variabel, van gelig lichtbruin tot grijs, daarover zes zwarte dwarsbalken, de tweede vanaf de kop bovenaan splijtend in een Y-vorm. Over de lengte een brede zwarte lijn, vooral zichtbaar op de kruispunten met de dwarsbalken. Dieren overgoten met iriserende vlekjes komen eveneens voor. Buikvinnen zwart, evenals de buik vanaf daar, overgaand in de rand van de aarsvin. Hardstralig deel van de rugvin in de lichaamskleur, de rest blauwer. Gedurende de paai kleuren de dieren naar een bijna witte cementkleur, waarbij de voorste dwarsbalk vrijwel verdwijnt en de andere in kleur intensiveren. De buiklijn kleurt vanaf de buikvinnen achterwaarts bijna zwart, evenals de aars- en soms de staartvin.
Lengte ♀ tot 21 cm, ♂ tot 25 cm.
Onderling vrij agressieve dieren, vooral na paarvorming. De voorkeur gaat uit naar ondiep water. Naar overige dieren betrekkelijk vreedzaam: in de natuur trekken deze ➛zandzifters in groepen rond, de bodem afspeurend naar voedsel.. Dat vraagt om een bodem van fijn, afgerond grind en goede ➛filtratie. Voornamelijk plantenresten worden zo verwerkt, maar ook ➛zoetwatersponzen, ➛algen, insectenlarven, ➛kleine kreeftachtigen en ook kleine visjes staan op het menu. Voedsel wordt enkel van of nabij de bodem gegeten. Het is van belang eten te laten zinken.
De kweek is betrekkelijk eenvoudig, er wordt in groepen gebroed, met dicht opeen liggende territoria. Een platte steen kan voor deze ➛substraatbroeders als afzetplaats dienen. De na ongeveer 3 dagen uitgekomen jongen worden geregeld naar weer een andere, eerder gegraven broedkuil verhuisd. Na nog eens 10 dagen zwemmen deze vrij en verblijven nog geruime tijd bij de ouders.
Geschikt voor aquaria vanaf 500 liter.
Temperatuur: 24 tot 30° C
pH: 6-8 dH: 12-30 fH: 21-53 ppm: 200-500
Kopen: ok.