Mate waarin dieren hun ➛eieren en ➛jongbroed beschermen om de overlevingskansen ervan te vergroten.
Ouders vertonen daarbij een aantal kenmerkende, instinctieve handelingen of een evolutionaire aanpassing aan het lichaam. De eenvoudigste vorm van broedzorg bestaat uit het toewaaieren van vers water tot de eieren uitkomen. Sommige vissen gaan verder en houden de eieren ook vrij van belagers als platwormen en slakken, en plukken eventueel witte, onbevruchte exemplaren er tussenuit. Uitgebreidere zorg bestaat uit het weren van andere, soms grotere vissen van de legplaats, soms in een min of meer permanent ➛territorium, tot het punt dat jonge vissen zelfstandig zijn of zelfs daarna. De meest vergaande vorm van zorg is binnen het lichaam, waarvoor in meerdere gevallen vaak een lichamelijke aanpassing in de evolutie heeft plaatsgevonden:
Periode waarin de ➛voortplanting plaatsvindt. De bronst is te herkennen aan verhoogde activiteit, met name ook van de ➛geslachtsorganen, opwinding, versterkte rivaliteit en territoriumgedrag.
Indien deze nog niet bestaan worden paren gevormd, welke zich afzonderen voor de ➛balts en het al of niet plegen van ➛broedvoorzorg. Daarna volgt de ➛paring. Dieren dragen bij dit alles vaak opvallende bronstkleuren, zoals de ➛honinggoerami.
Na de bronst volgt eventuele ➛broedzorg.