Monotypisch geslacht van karperzalmen uit de familie van de ➛Alestidae. De enige, zeer kleine soort is L. adonis.

Inheems in Ghana, Sierra Leone en Ivoorkust langs de Afrikaanse westkust.
Lengte tot 30 mm.
Lichaam spoelvormig of als een gerekte ruitvorm, vrijwel doorzichtig. ➛Vetvin aanwezig, deze is bruin bij mannen. Vrouwen met een patroon van zeer fijne, zwartbruine poedertekening op de rug en vooral de kop, met vinaanzetten in dezelfde kleur. Mannen meer chocoladebruin, en op de achterste lichaamshelft voorzien van grote bruine vlekken, die op aarsvin en staartvin parallelle lengtestrepen vormen. De rugvin heeft een dergelijke oplopende streep, de aarsvin een witte punt.
Vreedzame ➛scholenvis, maar niet voor startende hobbyisten. De dieren zijn gevoelig voor mindere waterkwaliteit en vereisen een aquarium dat het ➛rijpingsproces al enige tijd achter zich heeft. Met veel beplanting en bijvoorbeeld met drijfplanten gedempt licht voelen de dieren zich meer op hun gemak. De vissen eten alle soorten fijn voedsel.
Geschikt voor aquaria vanaf 70 liter.
Temperatuur: 22 tot 26° C
In zeer zacht en enigszins zuur water is de kweek niet bijzonder moeilijk. Tot 30 eieren worden in fijnbladig groen afgezet. De ouders lusten ze graag, hen verwijderen levert derhalve een hogere opbrengst. De eieren en jongen zijn gevoelig voor licht, verduister daarom het aquarium. De eieren komen na ongeveer anderhalve dag uit en kunnen, als ze na nog een week vrij zwemmen, met het allerfijnste ➛jongbroedvoer worden gevoerd.
pH: 6-7 dH: 0-4 fH: 0-7 ppm: 0-70
Een kwetsbare soort, voornamelijk door milieuverontreiniging. Koop bij voorkeur ➛nakweek.
Bescheiden geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. Het bevat 10 soorten.
Robuuste, slanke roofvissen met een langgerekt rond lichaam, endemisch in het ➛Tanganyikameer. Na het uiteenvallen van het toenmalige verzamelgeslacht ➛Lamprologus onderdeel van de stam van de ➛Lamprologini. De grote kop is vrij spits met een diep ingesneden, ver uitstulpbare, eindstandige bek. De beide kaken zijn voorzien van goed zichtbare puntige tanden. De ogen staan vrij hoog, gebruikelijk voor dieren die nabij de bodem leven. Rugvin lang en vrij laag, de veel kortere aarsvin valt weinig op langs de naar de staart oplopende buiklijn. Staart driehoekig. Vrouwen zijn in de regel een stuk kleiner dan mannen.
Onderling zijn de dieren betrekkelijk rustig indien als paar gehouden. Rivaliserende mannen kunnen echter zeer agressief zijn, soms tot één van beide bezwijkt. Zorg altijd voor voldoende schuilgelegenheid, de vissen moeten uit elkaars beeld kunnen blijven. Goed samen te houden met grotere soorten dieren. Houdt het aquarium goed afgedekt, tijdens conflicten wordt nogal eens een sprong genomen.
Van nature hinderlaagrovers, kleine vissen en garnalen vallen daarom in de categorie prijzige voeding. De dieren accepteren echter ook grover levend en diepvriesvoer. Deze vissen eten uitsluitend voedsel van ➛dierlijke aard.
Kweken is in alle gevallen mogelijk, het betreft holenbroeders met uitgebreide ➛broedzorg. Jongen kunnen met Artemia formaat ➛jongbroedvoer worden gevoerd, eveneens alleen van dierlijke aard.
Soorten worden zelden aangeboden in de handel.

Klein vindgebied langs de noordoostkust van het Tanganyikameer, vanaf de grens tussen Burundi en Tanzania en de monding van de Malagarasi rivier.
Lengte ♀ tot 5 cm, ♂ tot 7 cm.
Een duidelijk kleinere soort met een wat afwijkend uiterlijk. Zijdelings samengedrukt lichaam, met een steil oplopende voorhoofdslijn, die na een ronde knik in de vrijwel recht naar achteren lopende rug overgaat. Een duidelijke rij grote, donkere vlekken over het midden, met daarboven een tweede rij met drie lichtere vlekken, die door eerder genoemde rij wordt overlapt. De middelste vlek loopt over in de rugvin. Laatste is, evenals de aarsvin, van een krachtige gele zoom voorzien. Ook zijn deze, als de staartvin, geel gevlekt.
Verzorging als vermeld bij het geslacht. Buiten het broeden in slakkenhuizen leven de dieren voornamelijk nabij rotsen, waar zij hun toevlucht zoeken bij gevaar. Te houden als paar, maar voor de kweek geeft een harem met drie vrouwen meer kans op succes. Meerdere mannen vraagt veel ruimte, reken op 50 x 50 cm vloer per man.
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 23 tot 28° C
Goed te kweken. Net als Lamprologus brevis slakkenhuisbroeders, waarbij de vrouw in een slakkenhuis de eieren afzet en bewaakt. Mannen passen door hun grootte niet, en stoten hun zaad uit voor de opening, om dit vervolgens naar binnen te waaieren. De ongeveer 50 eieren komen na 2 tot 3 dagen uit. De dooierzak is na ongeveer 5 dagen verbruikt.
Geen IUCN status. Na eerst onder Julidochromis te zijn geschaard, is deze soort ook nog onder Lamprologus en ➛Neolamprologus ondergebracht.