Waterschorpioenen
Waterwantsen of ➛Nepomorpha met een roofzuchtige leefwijze.
Prehistorisch ogende insekten met een keverachtig uiterlijk. Donkerbruin gekleurd, traag lopend op de achterste twee paar poten. Het voorste paar vormt een set vangarmen. De lengte bedraagt maximaal 22 mm.
Twee waterwantsen vallen onder deze familie: de waterschorpioen, Nepa cinerea en de staafwants, Ranatra linearis. De laatste lijkt een slanke variant van de eerste, met lange poten. Beide hebben een adembuis om atmosferische lucht aan het wateroppervlak mee in te nemen.

Snel zijn de twee vertegenwoordigers van deze familie niet, en zwemmen zit er ook al niet in. Hun rooftechniek bestaat dan ook uit het grijpen van niets vermoedende passanten. Beide leven in stilstaand water met een goede begroeiing of aan de oever tussen bladafval, wachtend op prooi, en dicht aan het wateroppervlak voor de ademhaling. De gelijkenis met dode bladeren helpt daarbij. Boven water zijn ze ook niet bijzonder handig, maar vliegen kunnen ze wel. Daardoor zijn ze in staat ander water op te zoeken. Bij het vliegen is de helderrode rug een onverwachte verrassing.
In het voorjaar vind de paring plaats, waarna de vrouw de eieren in drijvend plantaardig afval afzet. De nimfen lijken al op de ouders en maken geen popstadium en ➛metamorfose door.
De waterschorpioen is een stuk algemener dan de staafwants, maar zijn allebei in de warmere delen van Europa te vinden. In Nederland en België is de waterschorpioen algemeen.
Waterwantsen
Vormenrijke groep van insecten uit de onderorde van de wantsen of de Heteroptera, die weer onder de orde van de Hemiptera vallen, waar ook de bladluizen toe behoren.

Opvallende overeenkomst is de steeksnuit waarmee voedsel wordt opgenomen. Ook schaatsenrijders, beek- en vijverlopers worden vaak tot de waterwantsen gerekend, al vallen die daar strikt genomen buiten. Voor de overzichtelijkheid zijn ze hier ook in de waterwantsen opgenomen. Andere overeenkomsten zijn de korte antennes aan de onderkant van de kop en de vervormde potenparen; vaak tot zwem- of vangpoten. In tegenstelling tot andere wantsen missen ze de typerende stinkklieren. Als alle wantsen kunnen ze uitstekend vliegen, al doen ze dat weinig.
Als alle wantsen kennen waterwantsen geen larvestadium met een ➛metamorfose, en lijken de jonge dieren, om die reden ➛nimfen genaamd, al sterk op het volwassen dier. Hun voedingswijze is dan ook identiek.
Enkele waterwantsen, zoals de duikerwantsen, zijn geschikt als levend voer, maar het merendeel kan een bedreiging voor vissen vormen, met name jonge en kleine vissen. De dieren laten zich in geen geval in grote aantallen vangen. Wel komen ze geregeld tussen het levend voer terecht. Als ze al niet in een apart bakje bewonderd gaan worden, kunnen de meeste maar beter worden teruggezet.
Nederlandse waterwantsen zijn te vinden in de volgende families:
duikerwantsen (➛Corixidae);
schaatsenrijders (➛Gerridae);
vijverlopers (➛Hydrometridae);
zwemwantsen (Naucoridae);
waterschorpioenen (➛Nepidae);
rugzwemmers (➛Notonectidae);
beeklopers (➛Veliidae).
Familie van kieuwslakken uit de klasse van de ➛Gastropoda met een wereldwijde verspreiding in tropisch en subtropisch gebied. De slakken zijn van gescheiden geslacht.
Kenmerkend voor de meeste soorten is de hoornvorm van het huis, met een grote, bolronde laatste winding, meestal glad, maar ook gegroefd of gekarteld. De hoorn ligt of in het platte vlak, of heeft een kurkentrekkervorm. Soms is de rand van de opening getand, al dan niet verdikt, soms met grote stekels of zijvleugels. In plaats van een een hoorn komt ook de mutsvorm binnen de familie voor, vergelijkbaar met ➛Ancylus. Deze huisvorm mist het ➛operculum. De opening is altijd wijd halfrond.
De meeste soorten leven in zee, maar er zijn ook enkele soorten die in brak- en zoetwater leven.
Behalve fraai kunnen sommige soorten ook succesvol zijn in de algenbestrijding. Naast ➛biofilm worden vooral ➛puntalgen en ➛kiezelwieren gegeten, waar langzaam groeiende planten als Anubias onder kunnen lijden. Gebrek aan algen kan echter leiden tot vraat aan de planten, volgens sommigen. In dat geval kan de slak worden gevoerd met ➛plantaardig voer als komkommer of slabladeren. De laatste kunnen onder de hete kraan zachter worden gemaakt. Ook plantaardig droogvoer is een optie.
De slakken zijn erg gevoelig voor ➛koper. Het is verstandig de kraan enige tijd te laten lopen voor er vers water voor het aquarium uit wordt getapt. Gebruik van boilerwater is ook af te raden. Plaats deze slakken op hun lichaam en laat ze niet op hun rug liggen, sommige soorten hebben veel moeite met zichzelf rechtop krijgen.
Er zijn ruim 15 geslachten met vele ondergeslachten. Voor het zoetwateraquarium zijn de geslachten ➛Clithon, Neripteron, ➛Neritina, Septaria, ➛Theodoxus en Vittina van belang.