GobionidaeBereik van paginaGoodea atripinnis

Gobiónidae

= afgeleid van Gobio.

Soortenrijke familie van Europese en Aziatische modderkruipers uit de orde van de ➛Cypriniformes. Langgerekte bodemvissen met een in doorsnede vaak rond lichaam, een vrij spitse kop met een eind- tot onderstandige bek. Op de mondhoeken bevindt zich een baarddraad. Veelal bruin gekleurde vissen. Veel voorkomend is ook de donkerder bruine lengtestreep met daarover min of meer regelmatig geplaatste zwarte blokken, als bij de bekende algeneter ➛Gyrinocheilus aymonieri. Maar ook de voor karpers gebruikelijke hogere lichaamsvorm is gebruikelijk binnen de familie. Deze vissen komen voor in zoet en brak water.

In aquaria weinig gehouden vissen. Desondanks belangwekkende soorten zijn te vinden in de volgende geslachten:

Abbottina, Gobio, Gobiocypris, Hemibarbus, Microphysogobio, Romanogobio en Sarcocheilichthys.

góblinus

= kobold.

Sundadánio

Gonopodium

= orgaan voor voortplanting.

Mannelijk geslachtsorgaan in de vorm van een langwerpige, ingewikkelde vergroeiing van de aarsvin, doorgaans uit de derde, vierde en vijfde vinstraal. Het stelt het mannelijk dier in staat de vrouw inwendig te bevruchten. Het gonopodium kan daartoe haaks opzij worden gedraaid naar één of beide kanten.

Gonopodium
Enkele gonopodia, gevormd uit de voorste 3 aarsvinstralen. © H. Frey

Het gonopodium komt uitsluitend voor bij levendbarende tandkarpers in de families ➛Anablepidae en ➛Poeciliidae, met als bekende voorbeelden guppen en zwaarddragers. De gonopodia bij verschillende geslachten zijn een belangrijk kenmerk om de indeling van deze moeilijk te classificeren diergroep te bepalen. Vergelijk ➛andropodium.

Góodea

= naar de Amerikaanse ichthyoloog Goode.

Monotypisch geslacht van tandkarpers uit de familie van de ➛Goodeidae. Levendbarenden uit Centraal Mexico. Deze soort heeft een ruimere verspreiding dan de andere geslachten binnen de familie en is om die reden minder bedreigd in het voortbestaan.

Er bestaat nog veel discussie of er naast de G. atripinnis nog een G. gracilis en G. luitpoldii zijn te onderscheiden, mogelijk als ondersoort. Dat verklaart ook de reeks synoniemen die sinds de 19de eeuw voor deze dieren in het leven is geroepen, zowel wat betreft geslachts- als soortnaam.

Moeilijkheid 1 (0-3)

atripínnis

Jordan 1880

Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied en is endemisch in geheel Centraal Mexico. Eén van de weinige niet bedreigde soorten, al lopen ook van deze soort de aantallen geleidelijk terug.

Goodea atripinnis
Goodea atripinnis. © ➛K. de Jong
Eén van de grootste soorten binnen de familie, met een slanke, maar toch forse lichaamsvorm die meer in lijn is met de typerende spitse kop. De ver naar achteren geplaatste rugvin is, als alle vinnen, afgerond. De staartvin is waaiervormig. Variabel van kleur, waarin drie basale typen zijn te onderscheiden: grondkleur zilver met kleurloze vinnen; grondkleur groengeel, waarbij mannen groene flanken en gele vinnen vertonen, vrouwen met zwarte rug-, staart- en aarsvin; grondkleur geelbruin met een duidelijke lengteband over de flank en zwarte rug-, start- en aarsvin bij beide geslachten. Alle drie typen komen op dezelfde locatie voor en aquariumervaringen maken duidelijk dat binnen een kleine populatie alle drie typen kunnen voorkomen. Betrouwbaarste geslachtsonderscheid is het ➛andropodium bij mannen. Ook is bij hen de rugvin iets groter.

Lengte ♀ tot 12 cm, ♂ tot 8 mm.

Weinig eisende vissen die ook in een gezelschapsaquarium passen, mits met niet te kleine of schuwe soorten. De dieren zijn levendig en kunnen het best in een groep worden gehouden. Verder te houden en kweken als andere leden binnen de familie. Tussen de 5 en 30 jongen worden per worp geboren.

Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.

Temperatuur: 10 tot 24° C

pH: 7-8   dH: 8-30   fH: 14-53   ppm: 130-500

Kopen: ok.

Margevuller